Konfrontationen 2012 :: 19-22 juli 2012, Jazzgalerie Nickelsdorf

Al meer dan drie decennia wordt het onooglijke Nickelsdorf (je kan daarbij werkelijk alle clichés over Smalltown Austria bovenhalen: je rijdt erdoor voor je het beseft, het is er dood tussen 12 en 15u, en er lopen figuren in rond die zo weggelopen zijn uit Twin Peaks), op drie kilometer van Hongarije, getransformeerd tot de thuisbasis van een van de meest legendarische freejazz/improvisatiefestivals van Europa. Na jarenlang plannen te koesteren die niet in de praktijk omgezet werden, is Enola eindelijk ook van de partij. En daar zijn we nu – vijf uur voor het eerste optreden – al blij om.

Je kan het je immers moeilijk inbeelden tot je ’t ziet: een dorp met amper 1600 inwoners in het zogenaamde ‘Burgenland’ (die Sonnenseite Österreichs!), waar de temperaturen momenteel los over de 30° gaan (eat that, Vlaanderen) en het hele leven een paar dagen lang gedomineerd wordt door ketelmuziek, met een affiche die voor deze 33e editie resoluut de kaart van de minder toegankelijke (niet noodzakelijke door jazz geïnspireerde) improvisatie trekt. Misschien een idee voor Koekelare, Brakel of Dilsen-Stokkem?

Eerste vaststelling: het publiek is even divers als dat van het Eurovisie Songfestival: artiesten, medewerkers en vroeg gearriveerde toeschouwers vinden elkaar al in de gezellige drukte van Jazzgalerie Nickelsdorf, waar een binnentuin – compleet met golfplaten, druivenranken en houten bankstellen – nog in volle opbouw is en het Afrikaanse feestorkest Konono No 1 bezig is aan z’n soundcheck. Alles ademt hier een DIY-sfeer uit, dus Live Nation it ain’t, maar zelden maakten we een evenement mee dat zo op mensenmaat is.

Elke avond vinden er vier-vijf concerten plaats, met vanaf morgen (vrijdag) ook nog een paar middagconcerten, die georganiseerd worden in een nabijgelegen gebouw of de Evangelische Kirche om de hoek. Op een enkele bekendere naam na – zaterdagavond zal ongetwijfeld gedomineerd worden door de komst van Neneh Cherry & The Thing – vallen er weinig echte publiekstrekkers te bespeuren, al zijn er een aantal kleppers van de jazz/geïmproviseerde muziek (Vandermark, Butcher en Lovens, om slechts enkelen te noemen), maar ook jonge(re) talenten en bijzondere artiesten om te ontdekken, vaak in verrassende combinaties. Een daarvan is bijvoorbeeld de Belgische vibrafoniste Els Vandeweyer, die straks de spits afbijt met Aleks Kolkowski (stroh violin & old analog devices – ook wij zijn benieuwd) en Ute Wasserman (voice + whistles).


De in Berlijn verblijvende Els Vandeweyer (vibrafoon/marimba), een van de grootste Belgische improvisatietalenten, ging de confrontatie aan met twee artiesten van een oudere generatie. De klassiek geschoolde performer/componiste Ute Wassermann is al bijna dertig jaar actief met de meest uiteenlopende ensembles en binnen diverse contexten (gaande van voor haar gecomponeerde solostukken tot abstracte geluidsinstallaties), terwijl de Brit Aleks Kolkowski, een veteraan die al samenwerkte met o.m. Evan Parker, Phil Minton en Louis Moholo, een expert is van ‘mechanisch-akoestische’ muziek, met vooral analoge instrumenten als de violofoon (een soort viool met een hoorn in de plaats van een klankkast die vaak gebruikt wordt binnen de Balkanmuziek), net als stokoude fonografen en grammofonen.

Voor deze performance had Kolkowski ook z’n zingende zaag meegebracht, wat in combinatie met de stemacrobatiek en fluitjes van Wassermann en de onconventioneel bespeelde instrumenten van Vandeweyer (naar goede gewoonte in de weer met allerhande percussieve effecten, vreemdsoortige stokken en gepimpte handschoenen) zorgde voor een even ongebruikelijke als verfrissende combinatie. Wassermanns arsenaal aan technieken, waarbij ze abrupt kan overschakelen van sissende en grommende uitvallen tot merkwaardige geluiden waardoor je zou gaan denken dat ze ergens een theremin verschuilt, was al voldoende om de aandacht naar zich toe te trekken, maar de qua timbre vaak erg gelijkaardige geluiden van Kolkowski verrijkten het klankpalet alleen maar.

Vandeweyer leek deze keer minder dominant dan we van haar gewoon waren, wat gezien deze combinatie van texturen zeker een verstandige beslissing was. Het concert laveerde tussen soms spookachtige nukkigheid, verwarrende abstractie en kermisgekte, al ging de aandacht door de beperkte lengte van de stukken en de set eigenlijk nooit verslappen. Met die opvallende combinatie en ‘fout’ gebruik van instrumenten werd meteen benadrukt dat Konfrontationen nooit gek genoeg kan, wat nog eens werd onderstreept toen Wassermann een bloemlezing uit het werk van The Chipmunks bracht in het van de pot gerukte bisnummer. Zot, maar goed zot.

Met het trio Black Top leek het even alsof Run DMC naar Oostenrijk was afgezakt, maar die indruk vervloog al na vijf seconden. Pianist Pat Thomas is bij ons niet zo bekend, maar maakt al ruim twintig jaar deel uit van de bruisende Londense scène, maakte z’n opwachting op een dozijn Emanem-releases, was vaak te horen naast figuren als Derek Bailey, Lol Coxhill en Tony Oxley, en werkte zelfs even samen met Thurston Moore. Met vibrafonist Orphy Robinson en tenorsaxofonist Steve Williamson, die aan het begin van z’n carrière vooral naambekendheid kreeg als sideman voor Abbey Lincoln en Cassandra Wilson, werkt hij momenteel aan een eigenaardige tussenvorm die zwalpt tussen free jazz, vrije improvisatie en pulserende elektronica.

Robinson bespeelde de vibrafoon op een veel toegankelijker manier dan Vandeweyer en bleef doorgaans de braafste (en soms wat voorspelbare) muzikant van het trio. Williamson hanteerde dan weer een behoorlijk eigenzinnige stijl, die nu eens deed denken aan de kronkelige riedels van Steve Lehman, maar in het hoge register net zo goed aan de klaagzangen van een David S. Ware, eindeloos herhalend op vervliegende motieven en introspectieve rondedansjes. Thomas’ spel op keyboards en piano kon amper nog meer verschillen. Op het ene ging hij resoluut voor sci-fi-achtige weerbarstigheid en soms verrassend aanstekelijke grooves (die echter zelden lang aanhielden), op de piano ging het er een stuk tegendraadser aan toe, vaak met bruuske intervalsprongen.

Hoorde je het ene moment iets dat nog best te situeren valt tussen Monk en z’n Britse collega Veryan Weston, dan ging het er even later behoorlijk hypnotiserend aan toe. Opmerkelijk was vooral het derde stuk, dat uiteindelijk meer dan de helft van de set zou overspannen, aanvankelijk wat ongeïnspireerd en doelloos van start leek te gaan, maar gaandeweg open bloeide tot een fors staaltje improvisatie naar het bijna oneindige. Ook hier zorgde het bisnummer voor onnozele fratsen (het thema van “If I Were A Rich Man” uit Fiddler On The Roof blijft ondanks de knipogen een irritant stukje muziek), al werd het uiteindelijk in een hoekiger koers gestuurd met een donkere beat die even groovy als plat was.

Het meest besproken concert van de dag was ongetwijfeld dat van het Franse kwartet Qwat Neum Sixx. De intussen 67-jarige saxofonist Daunik Lazro is al jarenlang een vaste waarde in kennersmiddens, maar lijkt pas de voorbij jaren ook buiten de landsgrenzen op meer krediet te kunnen rekenen. Hij had alleszins een band rond zich verzameld die zorgde voor een marathon die volledig de kaart van de intensiteit trok. Daarvoor werd hij ondersteund door pianiste Sophie Agnel, de androgyne figuur Michael Nick (viool) en Jérôme Noetinger, de man achter het Metamkine-label en zelf vooral in de weer met ‘dispositif électroacoustique’, een rol die binnen dit concert even mysterieus als essentieel was.</p

Van meet af aan werd het terrein van de avant-garde opgezocht, met timbrale exploraties, aandacht voor resonanties en subtiele spanningsbogen. Agnel dook vooral in haar piano met de handen, prutsend met bekers en draden, waarmee ze de snaren driftig floste in de klankkast. Het volume oversteeg daarbij aanvankelijk amper het fluisterniveau, door het ruisende luchtverkeer van Lazro en de sluimerende wazen van Noetinger, die zorgde voor sputterende effecten en gerecycleerde klanken van z’n kompanen die naadloos in het geheel geïntegreerd werden. Op z’n extreemst deed het wat denken aan de samenwerking van Peter Evans, Mats Gustafsson en Agusti Fernandez op Kopros Lithos, maar doorgaans ging het er toch wat minder radicaal aan toe.

Het bleef echter een taaie hap, want meer dan een uur weerbarstigheid vergt wat van een publiek, dat het soms moeilijk leek te hebben met deze mentale fitnesssessie. Nochtans was dit zowel als individueel als collectief niet minder dan een krachttoer en een luisterervaring die je best van al over je heen kon laten rollen. Lazro’s controle over de baritonsax was ronduit imposant, al was dit eigenlijk vooral een ontmoeting met een kwartet dat zich profileerde als een massief blok dat vrije improvisatie en hedendaagse avant-garde samensmolt tot een bezwerende trip voor doorzetters. Het bewees ook eens te meer dat elektroakoestisch experiment een steeds prominentere rol inneemt binnen de vrije improvisatie.

Ondanks een enkele kwinkslag en een aantrekkelijke melodische flard was de eerste festivaldag een cerebrale bedoening, luistermuziek om de oren bij te spitsen, muziek die concentratie vergt en van de luisteraar verwacht dat die in de lucht zwevende hints oppikt en er al dan niet een verhaal van brouwt. Totaal andere koek met het Congolese Konono No 1, dat vooral mikt op buik en benen, met ritmische en repetitieve feestmuziek die het volk vooral aan het dansen wil krijgen. De improvisatie die je op je bord krijgt is dan ook van een totaal andere, horizontale soort, waarbij vooral wordt gespeeld met variaties op ritmes en de opzwepende aanmoedigingen in schril contrast staan tot de bedachtzame improvisaties van ervoor.

Centraal in het geluid van de zeskoppige band is het gebruik van de duimpiano (likembé), die meteen zorgt voor een even feestelijke als sjofele sound, met weinig ruimte voor subtiliteit, maar wel met bakken vrolijke soul en zomerse ambiance. Onder leiding van Augustin Makuntima Mawangu, die de solopartijen voor z’n rekening nam, werd gewerkt aan een resem songs die gerekt konden worden naargelang de grillen van de band. En het wérkte alvast: de manier waarop de lichamen in beweging kwamen durfde nogal eens verschillen – voor de ene bleekscheet is het voorzichtig wiebelen en het zwaartepunt verschuiven, terwijl het voor de andere vooral gaat om kniebuigingen of het radicaal loswerpen van elk loshangend lichaamsdeel (soms een even hilarisch als verbluffend spektakel) -, maar het werd het uitzinnige feestje dat de band beloofde.

Wie op zoek is naar een voortdurende uitdaging of een creatieve uitwisseling van ideeën, die is er natuurlijk aan voor de moeite, maar je moet het weten te plaatsen in de juiste context. Konono No1 draait om ritme, ritme, ritme, zeker toen drummersduo Tony Buck (The Necks) en DD Kern (BulBul)er nog eens bij gesleept werden, de muziek nog meer naar het trance-effect van Steve Reid gestuwd werd en de onwaarschijnlijk energieke dansbewegingen van zangeres Pauline Mbuka Nsiaka deden vrezen voor een uit de kom schietende heupkop.


Het eerste concert van de dag vond plaats in een wat afgelegen schuur in een idyllisch glooiend landschap. Daar zorgde het duo Ona – de Weense video- en geluidskunstenares Billy Roisz en Ilpo Väisänen van het legendarische elektronicaduo Pan Sonic – voor het concert dat het verst verwijderd was van het traditionele akoestische avontuur dat doorgaans met vrije muziek geassocieerd wordt. In de compleet verduisterde ruimte, met forse speakers in elke hoek, werkten de twee aan een performance die zowel visueel als auditief de kaart van het minimalisme trok, met verblindende, flikkerende roodblauwe visuals en klankgolven die belandden in de zone tussen drone, soundscape en verdrukkende elektronica.

Roisz zorgde met een basgitaar voor daverend gedreun en was verantwoordelijk voor de projecties, terwijl Väisänen vooral rotzooide met golvende en versmachtende lage frequenties, goed om de oorkanalen te smeren en de hartslag onder 50 slagen/minuut te brengen. Opnieuw was dit muziek die de gedachtegang een halt toeriep en met ruisende, pulserende, grommende en sidderende klanken een publiek overmande. Heel even, naar het einde van het 35 minuten durende stuk, werd het abstracte terzijde geschoven voor wat old school geluiden tussen Kraftwerk en BRT-legende Xenon, al bleef het uiteindelijk vooral een oefening in koppig minimalisme.

Het avondprogramma bulkte van de zwaargewichten. Dat zorgde meteen voor hooggespannen verwachtingen, maar die werden probleemloos ingelost. Het trio BassDrumBone (respectievelijk Mark Helias, Gerry Hemingway en Ray Anderson) heeft slechts een handvol albums uitgebracht, maar hun samenwerking gaat intussen terug tot de late jaren zeventig en dat voel je. Muzikale interactie en smoelwerk spraken boekdelen: het ging hier om muzikanten die elkaar niets te bewijzen hadden, intuïtief kunnen inpikken op aangereikte suggesties en een taal ontwikkeld hebben die meteen herkenbaar is, of het nu gaat om met groove en swing volgestouwde stukken als “Hence The Real Reason”, de duizelingwekkende solo’s van “Soft Shoe Mingle” of het naadloos aan elkaar geplakte slotduo “Space”/“Show Tuck”.

Net zoals hun albums bijna inwisselbaar zijn – door die onmiskenbare identiteit -, zo ook volgen veel van hun nummers een vergelijkbaar pacours, met individuele intro’s en catchy melodieën, die vrijere stukken soms genadeloos de kop durfden afsnijden. Ondanks wat moeilijker passages en de soms merkwaardige gebroken ritmes van Hemingway (weinig drummers slagen er in om een concert lang net niet op conventionele manier te spelen), bleef dit een bij momenten erg toegankelijke performance die een vanzelfsprekend evenwicht vond tussen structuur en vrijheid, en traditie en vernieuwing. Daardoor vond het zowat het ideale evenwicht tussen Helias’ meer cerebrale Open Loose en Andersons nog toegankelijker werk met Marty Ehrlich.

Een zwakke schakel zit er in niet in dit trio, maar het heeft met Anderson een opvallende troef in huis. Als je hem ziet staan, een schriele kerel met een brede grijns, dan zou je ‘m zo een blokfluit in handen willen duwen, maar wat hij tevoorschijn tovert uit een trombone – brede uitschuivers, keiharde staccato uitvallen en aartsmoeilijke circulaire ademhaling, die dan nog eens vol variatie gestoken wordt – getuigt van een even grote verbeelding als instrumentbeheersing. Een man met zo’n talent het volle pond zien geven, samen met collega’s die hem daar maar al te graag bij willen (en kunnen) helpen, is dan ook een puur genot om naar te kijken.

Maar het kon nog zotter. Ook het nieuwe trio John Butcher (tenor- en sopraansax), Mark Sanders (drums/percussie) en Georg Graewe (piano) heeft intussen niks meer te bewijzen. Dat Butcher en Sanders een perfecte tandem kunnen vormen, bewezen ze nog op het onlangs verschenen Daylight, maar de samenwerking met Graewe was al even onbevreesd avontuurlijk. Misschien wel ietsje té, want het duurde niet lang of de blazer en pianist haalden alles, maar dan ook alles uit de kast. In het geval van Graewe betekende dat soms woeste razernij over het ivoor, met handen die voortdurend haasje-over speelden en de muur tussen vrije improvisatie en moderne klassiek sloopten, bombastisch, met de voet vol op het gaspedaal.

In combinatie met het spel van Butcher zorgde het even voor overkill. Zelfs een wereldtopper als Ray Anderson, die, toegegeven, bezig is met een instrument dat notoir moeilijk te bespelen is, zal het immers moeten afleggen tegen Butcher als we het hebben over de meest complete en compromisloze benutting van de mogelijkheden van een instrument. Butcher blaast, perst, zuigt en smakt de meest waanzinnige klanken – van vogeltjesgetjilp tot ronkende drones en onmenselijk gegier – uit z’n saxen. Verbluffend om te zien en te horen, maar even ook goed op weg om uit te draaien op een muzikale freak show, krachtpatserij met Icarusambitie. Gelukkig kreeg de eerste marathon na verloop even een rustmoment, waarna ingetogener en met een strakkere focus werd gemusiceerd.

Wie in het oog van die storm voortdurend overeind bleef, en zich profileerde als misschien wel de meest muzikale artiest op het podium, was Mark Sanders. Wat hij deed kan enkel omschreven worden als schilderen op een drumstel. Voortdurend variërend met brushes en stokken, spelend met minitrommeltjes en strelend met de blote handen, zorgde hij voor een indrukwekkende verfijnd geluidenspel dat naadloos inpikte op wat rond hem gebeurde, maar vooral coherentie bleef uitstralen. Sanders schetste met zelfvertrouwen verfijnde contouren en gaf dit straf concert met enkele ronduit geniale momenten een menselijk gezicht. Prachtig.

En dan moest het beste nog komen. Rietblazer Ken Vandermark had z’n nieuwe project Made To Break al eens voorgesteld op het Follow The Sound festival, maar met wisselend succes. Het was wel een goed concert, al bleef het toen wat stroef, viel de sound tegen en leek de band nooit écht op dreef te komen. Nu duurde het ongeveer tien seconden voor je vergeten was dat Nickelsdorf af te rekenen kreeg met een paar smerige regenbuien. Het kwartet schoot uit de starblokken met een imponerende vurigheid en energie die mateloos aanstekelijk was, met opzwepende drum- en baspartijen van Tim Daisy en Devin Hoff en driftig spel van Vandermark.

Joker van dienst was echter Christof Kurzmann, die vanachter z’n laptop een cruciale bijdrage leverde tot het geheel, door het aanzetten van de ritmische patronen, invoegen van stuiterende klankgolven en het terugkaatsen van Vandermarks furieuze tenorspel. Het resultaat was een bruisende aanval op de middelmaat, die nergens pompeus of patserig klonk en het beste leek te combineren van Vandermarks meer gedreven bands uit het verleden. Het leek wel alsof Spaceways Inc. (de soul en funk), Powerhouse Sound (de groove) en The Vandermark 5 (de eclectische, genrevermengende composities) hier samengesmolten werden tot een nieuwe, alles vermorzelende bastaardzoon.

De voorbije jaren zat Vandermark niet stil. Het is een artiest die voortdurend op zoek is naar nieuwe geluiden en samenwerkingen, wat recent vooral leidde tot projecten die aansluiting zochten bij kamermuziek, vrije improvisatie en gestileerde tussenvormen om zijn honger naar compositorische uitdagingen te stillen. Het deed echter deugd om hem nog eens aan het roer te zien staan van een geoliede machine die zowel in staat is om terug te plooien in subtiel samenspel als om uit te pakken met bonkende power. Wie dacht dat Vandermark met het ontbinden van The Vandermark 5 z’n vlaggeschip kwijtgespeeld was, kreeg nu lik op stuk. Dit klonk gewoonweg als het echte begin van een opwindend, nieuw hoofdstuk, dat ons na eerdere recente overrompelingen (zowel met het Resonance Ensemble als solo) sterkt in de overtuiging dat de man in een van zijn vele creatieve piekperiodes zit. Magistraal spul.

En dan was er even wat verwarring. Pianist Chris Abrahams van afsluiter The Necks was na een val in allerijl naar het ziekenhuis afgevoerd. Het was even wachten op wat er nog stond te gebeuren en dat werd een ad hoc samenwerking tussen achtergebleven Necks-leden Tony Buck (drums) en Lloyd Swanton (bas), die van jetje gaven met Steve Williamson en Orphy Robinson van Black Top. Al snel werd duidelijk dat, misschien gemakshalve, de route van de vurige freejazz gekozen werd. Buck, Abrahams en Robinson (op marimba) hamerden er meteen als bezetenen op los, Williamson meteen verplichtend om uit z’n schulp te komen. En dat gebeurde.

Het sloot aan bij de complexloze fire music van de jaren zestig, waarbij vooral opviel dat Buck z’n drumkit te lijf ging met razende manie die zowel naar Keith Moon als Paal Nilssen-Love leek te verwijzen. Na zo’n wilde climax was er even sprake van een puddingeffect met wat aanmodderend geplingel, al was het kwartet snugger genoeg om het zootje naar een nieuwe climax te sturen om met een knaller af te sluiten. Vernieuwend en origineel was het allemaal niet, maar het werd gesmaakt door een publiek dat de band na een avond vol verwennerij bedankte met een overdonderend applaus. Zo’n festivaldag die van hoogtepunt naar hoogtepunt raast maak je zelden mee.

De namiddagvoorstelling van Dafne Vicente–Sandoval (fagot) en Klaus Filip (ppooll) moesten we helaas missen, maar met een goed gevuld avondprogramma kregen we meer dan voldoende utdagingen gepresenteerd. Het begon al meteen op hoog niveau met het “A” Trio van Sharif SehnaouiMazen Kerbaj en Raed Yassine, drie sterkhouders van de Libanese vrije improvisatie, die hoogst ongebruikelijke muziek maken met onconventionele speeltechnieken die vooral inzetten op creëren van en variëren op merkwaardige klanken, resonerende oppervlakken en mechanische spielereien.

Het spel van Sehnaoui op akoestische gitaar deed vaag wat denken aan de prepared guitar-experimenten van Paolo Angeli, met gebruik van metalen objecten en sidderende, piepende en trillende effecten die soms wat aanleunden tegen aan sitarachtige sound. Bassist Yassine zou z’n snaren nooit gewoon plukken met de blote hand. Hij drukte kommetjes en schaaltjes ertegen en toen hij die aanviel met z’n strijkstok leidde dat zingende, soms wat Midden-Oosters aandoende resultaten. Meest opvallend was echter Kerbaj (samen met Sehnaoui oprichter van het te ontdekken Al Maslakh-label en zelf ook een begenadigd schilder en tekenaar), die te werk ging met een schier eindeloze creativiteit.

Hij was niet enkel in de weer met een trompet, waar hij piepende en zeurende golven uit perste, maar ook met allerhande speeltjes, het leek wel goedkoop speelgoed, waarmee hij de bezwerende intensiteit van de muziek tot een kookpunt bracht. Dat klinkt allemaal erg artificieel, maar het trio bracht enkele van de meest meeslepende stukken van het festival voort, een hypnotiserend klankenfestijn dat het ene moment klonk als een transmissie uit de ruimte en even later als een losgeslagen klokkenatelier of hysterische volière. Het spelen met terugkerende gitaarpatronen buiten beschouwing gelaten, was dit een concert met weinig melodie of houvast, maar dat werd ruimschoots gecompenseerd door frisse en speelse inventiviteit. Een origineler opener kan je je moeilijk voorstellen.

Dan volgden een paar concerten van artiesten die voor het eerst met elkaar samenwerkten. Het eerste was een kwartet met Frank Gratkowski (basklarinet/altsax), Tanja Feichtmair (altsax), Peter Herbert (bas) en Christian Lillinger (drums), dat meteen aardig van jetje gaf, maar nooit ging vervallen in richtingloos getoeter en gehamer. De frontlinie met twee saxen werkte uitstekend, waarbij Gratkowksi doorgaans iets agressiever uit de hoek kwam dan Feichtmair, die met krampachtig omhooggetrokken linkerschouder al even vurig, maar tegelijkertijd ook zachter klonk, intussen hevig voor- en achterover buigend als een vrouwelijke John Dikeman. De muziek zocht soms dan ook het terrein van de punkjazz op, maar dan met een indrukwekkende wendbaarheid.

De sound van het kwartet werd voor een groot stuk bepaald door het bijzonder dynamische drumwerk van Lillinger. Die heeft zelf een trio dat Hyperactive Kid heet, en het wordt snel duidelijk waarom. Z’n flamboyante stijl, waarbij hij explosief spel perfect kan afwisselen met gebruik van shakers en manipuleren van cimbaalgeluiden is de gedroomde ondersteuning voor een blazer. Die kuif van ‘m blijft al even driftig op en af wippen als z’n stokken, waarmee hij soms door z’n vellen lijkt te gaan slaan. De enorme troef die hij toevoegt aan het geheel is echter het vermogen om ruimte te scheppen. Z’n soms bombastische spel heeft een sterk showaspect dat vast niet bij iedereen aanslaat, maar je moet erkennen dat hij een fantastisch aanstekelijke motor is die perfect in lager toerental kan draaien zonder excentriciteit te verliezen.

Bassist Herbert is een generatie jonger dan z’n collega’s, maar daverde er al even begeesterd op los en zorgde met Lillinger even voor een prachtig staaltje ingetogen lyriek vol zingende melodieën (zelfs op cimbalen!). Kortom: het was een droomstart (want dit vraagt gewoonweg om een vervolg!) van een nieuwe band, een concert met nuance, swing en kracht, vol hortende en stotende passages van flemende en bronstig beukende saxen, weerbarstig drumwerk en divers baswerk. Dat zo’n aanstekelijk concert, waarbij je een monstertalent ziet bevestigen en een ander kan ontdekken, ook nog eens werd afgesloten door een breekbaar mooi bisnummer maakte het plezier enkel nog completer. Geweldig als alle stukjes zo vanzelfsprekend op hun plaats vallen.

Als het ene kwartet bewees dat een eerste ontmoeting bruisende resultaten kan opleveren, dan zorgde het tweede helaas voor een ervaring die minder geslaagd was. Improvisatie-icoon Paul Lovens ging daarvoor een ontmoeting aan met pianist Alberto Braida, celliste Frances-Marie Uitti en bassist Wilbert De Joode. Het begon nochtans veelbelovend, met Lovens (zoals gewoonlijk in z’n vaste uniform: wit hemd en das) die rommelde met schaaltjes en gebroken ritmes, en dromerig strijkwerk en gedoseerd pianospel. Daarna nam de grilligheid en densiteit enkel toe, maar werd zelden het ultieme doel bereikt: via individuele ideeën komen tot een collectief verhaal. Waar dat dan aan ligt? Te weinig luisteren, te veel ideeën, een combinatie die gewoon niet wérkt? Geen idee. Of misschien een beetje van dat alles.

Dat deze muzikanten beschikken over de bagage om knappe muziek te maken zal niemand betwijfelen, maar deze keer leek het wel of de vier, ondanks het inpikken op en overnemen van elkaars ideeën toch een eigen parcours bleven volgen. Het had even iets van een intellectuele denkoefening waarbij je de sleutel tot de oplossing onthouden werd. Misschien omdat er geen was? Zo wisselden piano en drums ineens wel een ritmisch patroon uit, maar werd er verder weinig mee aangevangen. De bas en cello zongen en raspten, werden gestreeld en getokkeld en vervielen in soms repetitieve patronen, maar het geheel bleef een vreemde afstandelijkheid uitstralen, waardoor het moeilijk was om meegesleept te worden. Laat staan om er iets bij te voelen. Jammer.

Freejazz bereikt slechts zelden andere werelden, maar de collaboratie van Neneh Cherry en het Scandinavische powertrio The Thing – Mats Gustafsson (saxen, elektronica), Ingebrigt Håker Flaten (bas) en Paal Nilssen-Love (drums), elk zowat de Vin Diesel van hun respectievelijke instrument -, bracht een aardige hype op gang. De tuin zat dan ook afgeladen vol voor een concert dat een op voorhand gewonnen wedstrijd leek. Wat meteen opviel: de aanpak van het trio is een pak heviger, maar ook lomper dan op plaat, met direct gebeuk en weinig subtiliteit. Dat is ook niet meteen de bedoeling, want ook Cherry zette het meteen op een wild springen en headbangen vanaf de noisy intro van “Too Tough To Die”.

Aanvankelijk leek ze ook niet goed bij stem, het klonk allemaal wat kapot geschreeuwd en ze zat er geregeld langs. “Dream Baby Dream” klonk even wat bedeesder, net als het exorcisme van “Golden Heart”, maar ook daar sloeg Cherry aan het freewheelen met veel enthousiasme, maar een slordige timing. Nochtans kreeg het kwartet gaandeweg meer focus in de set: “Dirt” was dubbel zo wild als de albumversie en tijdens een sterk “Accordion” kon je enkel respect opbrengen voor het feit dat Cherry na een afwezigheid van vijftien jaar dit doet, en niet kiest voor de makkelijke weg, met een fletse kutplaat en een comeback in het has beens-circuit.

Tot daar zaten we vooral met gemengde gevoelens, maar de finish die de band in petto had maakte veel goed, met een swingende interpretatie van zydecosong “Call The Police”, een overtuigende preek in Archie Shepps klassieker “Blasé” en een razende bis die het botte gebeuk van “Viking” en “Hidegen Fújnak a Szelek” van The Ex aan elkaar naaide. Het was dus niet de verhoopte triomf – daarvoor miste het de scherpte van de beste The Thing-concerten -, maar dat werd goedgemaakt met een donderende finale die de keet ei zo na in de fik zette.

De gemoedelijke aanpak van het festival brengt ook een nadeel met zich mee (al is het dan weer een voordeel voor zij die de kans krijgen om voldoende te slapen): er is een startuur dat ongeveer gerespecteerd wordt, maar geen mens kan voorspellen hoe het daarna verloopt. Toen het Oostenrijkse Radian aan zijn set begon was het half drie, al was een groot stuk van het publiek nog op post. En terecht, want bassist John Norman, drummer Martin Brandlmayr (ook bekend van Trapist) en kersvers bandlid/gitarist Martin Siewert (onlangs nog te horen met o.m. Dieb13 en Mats Gustafsson op (Fake) The Facts) speelden een intens nachtconcert.

Daarvoor putten ze uit een breed gamma aan invloeden die ook te horen zijn op hun albums (al hun Thrill Jockey-releases zijn de moeite), gaande van de postrock van Tortoise en de krautgrooves van Can tot stuiterend elektro-experiment (vooral sterk tot z’n recht komend in de knap bewerkte drumpatronen van Brandlmayr, vol echo’s, clicks en ratelende nevengeluiden), industrial en gierende noise. Siewert had een batterij pedalen op tafel én voor z’n voeten en knipoogde naar soundscape en shoegaze, terwijl de logge basklanken van Norman voor een potige fond zorgden. Centraal stond vaak ook Brandlmayrs spel op de basdrum, dat naar voren geschoven werd in de geluidsmix en zorgde voor een grootstadsvibe en soms dansbare beats.

Er werd gespeeld met duidelijk uitgezette krijtlijnen, maar ook hier was er ruimte voor improvisatie en de drie creëerden muziek die hedendaags en onweerstaanbaar cool klonk, waardoor het even leek alsof het boerendorp integraal overgeplaatst werd naar een stedelijke undergroundlocatie. Zo gepast als de opener was, zo’n goed idee was het ook dit enthousiast ontvangen Radian de boel uitgeleide te laten doen, op deze wat ongelijke, maar boeiende derde festivaldag.

Wat een volume en wat een brullende begeestering! Als Ab Baars die tenorsax aan z’n lippen zet, diep ronkend en expressief blatend, met de blues van Frank Wright en Albert Ayler nog nazinderend in die uitschieters, dan wordt het plots wel heel erg stil op de bankjes van de Evangelische kerk van Nickelsdorf. Hij varieert op stotende uithalen en hyperintens gegil, om even later over te schakelen op een zachtere, haast romige klank die nauwer aansluit bij de Zen-beheersing die hij uitstraalt. Samen met de in Nederland verblijvende bassist Meinhard Kneer en veteraandrummer Bill Elgart (Paul Bley, Lee Konitz, etc) speelt hij slechts sporadisch concerten, maar het lijkt wel alsof ze niet anders doen.

De bassist en drummer zijn daarbij erg goed op elkaar afstemd en pikken voortdurend in op suggesties, waardoor je bedwelmende combinaties krijgt van subtiel gestreken snaren en zacht behandelde toms en ruisende cimbalen, met nu en dan ook een enkele explosie. Baars zorgt voor een meditatieve sfeer met zijn shakuhachi en schakelt tenslotte over op klarinet, met zowel aangehouden noten als hysterische uitschieters waar de geest van John Carter in rondwaart. Dan valt ineens ook op dat Baars’ spel op de klarinet van invloed geweest is op dat van Vandermark.

Het hoogtepunt vindt plaats in het tweede stuk, als een serene klarinetsolo enkel maar aan expressie en emotie lijkt te winnen, bloedmooi en intens jammerend wordt en gewoonweg door merg en been gaat met kervende vegen. Dat je zoiets kan bereiken zonder een vorm van voorbereiding vergt openheid, luisterbereidheid en bagage, iets dat deze drie met verve etaleren. Baars, Kneer en Elgart hielden de volgelopen kerk in de ban met misschien wel het meest intens geconcentreerde concert van de vierdaagse. Machtig mooi. Zo mooi dat we het nazinderen niet wilden verstoren met de performance van Sqid, even later in diezelfde kerk.

Het optreden van The Necks, dat door de val van pianist Chris Abrahams niet kon plaatsvinden op donderdag, kreeg dan toch een herkansing op de slotdag. Samen met drummer Tony Buck en bassist Lloyd Swanton zorgt de pianist al jarenlang voor een van de meest herkenbare werkwijzen uit de moderne jazz en improvisatie. The Necks heeft immers een patent op marathonconcerten die uitblinken in samenhang, vloeiende bewegingen en hypnose. Hier geen swing, bruuske ritmewendingen of conventionele solo’s, maar een groepsperformance die aanluit bij minimalisme, drone en majestueuze klaagzangen.

Soms dat kan heftige spanningsbogen opleveren (de band stond niet voor niets in het voorprogramma van apocalyptisch rockfenomeen Swans), iets dat ook knap uitgewerkt werd op het podium van Konfrontationen. Abrahams opende met eenvoudige herhalingen van schijnbaar verdwaalde noten die door het sustainpedaal konden blijven resoneren. Buck voegde amper hoorbare, metalige percussie toe, terwijl Swanton pulserend getrek aan z’n bas ontfutselde. De machine trok zichzelf op gang en zou drie kwartier lang een ritualistische gedaante aannemen.

Je zou gaan denken dat het een en al climaxwerking zou zijn – intensifiëren tot het boeltje ontploft en van voor af aan herbeginnen -, maar het knappe was dat dit niet gebeurde. Er werd wel gewerkt met pieken, vooral door het collectief spelen met densiteit en volume, maar dat was dan eerder een vertrekpunt voor een volgende segment, waardoor je eigenlijk een stuk met natuurlijke golfbewegingen kreeg die koos voor de tactiek van de aangehouden spanning en coherentie, en niet die van het makkelijke geweld. Toch wel een verademing tussen het grilliger werk van de collega’s.

Spelen met tanden, tong, lippen, adem, speeksel en (eventueel) een mondstuk, is het handelsmerk van Christine Abdelnour, die het vocabularium van de altsax heeft uitgebreid met een vrij imposante koppigheid. Jarenlang beweegt ze zich al in improvisatiemiddens en is ze in de weer met collega’s uit uiteenlopende werelden en generaties, maar blijft die obsessie voor pure klank een constante. Dat zorgt ervoor dat jazzliefhebbers hier niets te zoeken hebben en ingang wordt gezocht bij de avant-garde. Samen met Andrea Neumann (inside piano) en Bonnie Jones (elektronica), met wie ze zopas een album als As : Is uitbracht dat werd opgenomen in Q-O2, de Brusselse werkplaats voor klankkunst, zorgde ze opnieuw voor een opgemerkt concert.

De taak van Neumann mag bovendien letterlijk genomen worden: wat er op haar tafel lag was daadwerkelijk het binnenwerk van een piano, dat ze behandelde, bepotelde en streelde met allerhande objecten, waarvan de strijkstok het meest frequent passeerde. Jones deed het dan weer met knetterende, fluitende en ruisende klanken (of dat gezeur dat je soms hoort net voor je GSM afgaat) en field recordings die ze ontfutselde aan een laptop, waardoor het in combinatie met de mondexperimenten van Abdelnour leidde tot een komen en gaan van schuifelgeluiden.

Opmerkelijk was het alleszins, soms alleen al voor het opmerkelijk lage volume, maar of het ook genoeg was, zal vermoedelijk afhangen van individuele voorkeur. Persoonlijk vonden we dit een intrigerende, maar weinig beklijvende performance. Een muzikant een sax zien bespelen zonder mondstuk, dat is een eerste keer iets ongewoon, maar als er verder weinig mee gebeurt, dan ben je snel uitgepraat. Om echt te kunnen overtuigen had dit concert dan ook wat meer reliëf en dynamiek kunnen gebruiken. Nu was het wat mager, zeker in vergelijking met wat er nog te beleven viel.

Het concert van Keith Tippett (piano), Julie Tippetts (stem/speeltjes) en Willi Keller (drums) rekenen we alleszins tot de meest opmerkelijke van het festival. Sinds de jaren zestig neemt Tippett al een bijzondere plaats in binnen de vrije muziek, door z’n vele links met de rockwereld (King Crimson, Brian Eno, etc) en z’n voorkeur voor grote ensembles, maar ook door z’n liefde voor soloperformances. Deze keer bracht gaf hij een concert met echtgenote/zangeres Julie Tippets (voorheen Driscoll), met wie hij een redelijk unieke samenwerking ontwikkeld heeft opgebouwd.

Er is moeilijk een stempel op te plakken – het ene moment sluit het haast aan bij de werelden van pop/folk en iets later gaat het er wat robuuster en grilliger aan toe -, maar het sprekend gemak waarmee het gebeurt, is indrukwekkend. Tippett weet dan ook hoe hij moet spelen met dynamiek, door het ene moment te jongleren met rinkelende arpeggio’s en dromerige akkoorden, die door de sirenenzang van Tippetts vaak het terrein tussen spook- en sprookjesachtig opzochten. Door haar gebruik van allerhande speeltjes, gaande van trommeltjes en rammelaars tot duimpiano, tamboerijn en kinderxylofoon, had het soms ook iets naïef kinderlijks, met veel nadruk op ritmepatronen. Nu eens was het lyrisch en dan weer krachtig, vooral als Willi Kellers zich even liet gaan met explosief spel. Wat hij deed met een grote alumium schaal was ook erg knap, geduldig ratelend en wentelend rond de pianoverhalen van Tippett.

De voorstelling sleepte net iets te lang aan om te blijven boeien, maar op z’n best was dit een theatrale, opmerkelijk vloeiende voorstelling – intens intiem en majestueus –, met tribale, bijna-kitscherige en krachtige impulsen die moeiteloos gecombineerd werden. Als er nog muzikanten zijn die dit soort spul brengen, dan horen we het graag, want we kennen ze niet.

Het concert van Bauer 4 was er eentje van het soort dat je best wat vaker zou mogen horen op improvisatiefestivals. Want geef toe: in Nederland hebben ze er nog een handje van weg om absurde invalshoeken te gebruiken, maar elders durft improvisatie vaak wel wat droog en navelstaarderig zijn, van het soort intellectualisme dat weinig ruimte laat voor een moment van licht, luchtigheid en humor. Het Duitse Bauergeslacht heeft intussen een adellijk status verworven binnen de improvisatie. De bekendste twee, trombonisten Johannes en Connie, gingen deze keer in de weer met 3e broer Matthias (bas) en Connie’s zoon Louis Rastig (piano), zelf een proponent van een nieuwe generatie voortrekkers en organisator van het nieuwe A L’Arme! Festival, dat ongeveer tegelijkertijd in Berlijn plaats vond.

De Bauers leken wel te beseffen dat het publiek na een twintigtal concerten toe was aan een verteerbare brok en hun reactie was navenant: ze speelden een energieke set, met vooral korte stukken die zowat het hele palet afwerkten, gaande van hypernerveus gepruttel en geblaat (met zoals gewoonlijk een glansrol voor de jarige clown van dienst Johannes) tot dreunend samenspel die leidde tot een forse wall of sound, waarbij opviel dat ook Rastig z’n mannetje kan staan tussen al dat geweld, met een opvallend fysieke betrokkenheid (zet ‘m bij Lillinger en een dat wordt satisfaction guaranteed voor liefhebbers van muzikale action painting) en hamerend pianospel. De mannen beseften echter ook heel goed de rol die ademruimte kan geven en gingen vaak in de weer met kleinere bezettingen.

Zo was er een solostuk van Connie Bauer dat eigenlijk nogal luchtig en voorspelbaar in elkaar zat, maar wél zorgde voor een mooi moment van afwisseling. Of een expressieve uitwisseling tussen Rastig en Bauer, die het op een bepaald moment ook aan het roepen en tieren zetten, met komisch effect. Het resultaat: een diverse, bruisend performance die het ene moment neigde naar het werk van Carl Stalling of the Keystone Cops, maar ook introspectieve momenten had. Het blijft alles ook voor het publiek een genot om een zotte bende aan het werk te zien die zich te pletter amuseert.

Het vijfde en laatste avondconcert was er bijna een beetje te veel aan, maar met de kerels van Papajo – drummer Paul Lovens (zelfde uniform, maar deze keer kortgeschoren), bassist John Edwards en trombonist Paul Hubweber – krijg je natuurlijk een stel te zien dat zowel individueel als gezamenlijk op heel hoog niveau kan spelen en dat was ook deze keer het geval. Opnieuw is het vanzelfsprekend dat deze knapen op gezette tijdstippen met elkaar in de weer zijn, want het was een voortdurend heen-en-weer-verkeer van aangereikte suggesties en telepathisch samenspel, waarbij het eigenzinnige drumwerk van Lovens gecounterd werd door de schier eindeloze techniekenmand van Hubweber (zelden een muzikant gezien die door bedreven en gedreven in de weer is met hulpstukken) en de briljante beheersing van Edwards.

Het is dan ook behoorlijk straf dat de bassist zelfs in die context, met een trombonist en drummer die er zo’n eigenaardige stijl op nahouden, de meest opvallende figuur was, met vliegensvlugge basloopjes, pizzicato spel en zelfs heel wat percussieve aspecten. Nu en dan ving je zelfs een glimp op van het groove-georiënteerde spel dat hij onlangs ook nog liet horen aan de zijde van Mulatu Astatke. Wat het misschien miste, was een duidelijke spanningsboog of een geslaagde climaxwerking, maar dat is op een festival als dit, waar alles in het teken staat van de verrassing, eigenlijk geen bezwaar. Het avontuur en de vrijheid waren alleszins een sprekend eerbetoon aan de eigenheid van het festival.

Dan rest ons enkel nog een conclusie. Een daarvan is dat we de bewering “Je weet pas wat het voorstelt als je het meegemaakt hebt” alleen maar kunnen onderschrijven. Dat heeft niets te maken met elitarisme of plagerigheid, maar met de vaststelling dat dit een festival is dat zowat alle regels aan z’n laars lapt, resoluut z’n eigen koers vaart en een onvoorwaardelijke liefde voor de muziek uitstraalt. Het programma wordt samengesteld met kennis van zaken en heeft oog voor traditie en vernieuwing, de sound is er altijd goed en muzikanten en publiek lopen er vier dagen lang door elkaar en drinken samen een glas. Omdat het er vanzelfsprekend is. Dat irritante geklap blijft er ook achterwege. We hoorden geen enkel applaussalvo na een solo. Dat wordt bewaard tot na het stuk. Eten en drank zijn er betaalbaar. En goed. De ontvangst is hartelijk, de sfeer gemoedelijk.

Kortom, het is een festival met een groot kloppend hart, en dat is in grote mate te danken aan de gedrevenheid, de visie en gekte van organisator Hans Falb (foto), die al sinds 1980 de motor van het gebeuren is en kan rekenen op de al even enthousiaste medewerking van een grote kring vrijwilligers. Na enkele dagen wordt duidelijk waarom Nickelsdorf is uitgegroeid tot een Mekka voor improvisatieliefhebbers uit alle windstreken, waarom veel muzikanten (van Mats Gustafsson en Georg Graewe tot Roscoe Mitchell, Christof Kurzmann en Evan Parker) het festival als een tweede thuis beschouwen, waarom dit voor ons misschien wel de mooiste (festival)ervaring was uit ruim twintig jaar concertbezoek. De uiteindelijke bedoeling van deze hele tekst is dan ook niet om te benadrukken dat u er niet was, maar om ervoor te zorgen dat dit bewaard en herinnerd wordt. Waardevolle ervaringen zijn er om gekoesterd te worden. En volgend jaar gaat u gewoon mee.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in