Lou Reed :: 15 juni 2012, AB

Zelfs al is zijn laatste soloplaat alweer jaren oud, het houdt Lou Reed niet tegen om nog regelmatig de podia op te zoeken. Met Lulu — zijn samenwerking met Metallica — onder de arm, was de man vrijdag nog eens op een Belgisch podium te zien, maar het werd vooral een pleidooi om het nu maar voor gezien te houden. Soms heeft iets gewoon zijn tijd gehad.

“God, wat is hij bejaard geworden”. Die bedenking flitst meteen door het hoofd als Reed voorzichtig het podium komt opgeschuifeld. Fragiel, vermoeid en oud, begint de zeventigjarige aan het concert. En wat is hij meteen slecht bij stem, wanneer hij “Brandenburg Gates” van op Lulu inzet. Gelukkig maar dat de akoestische intro binnen de kortste keren door een pletwals van geluid wordt overheerst — dit was een samenwerking met Metallica, vergeet dat niet.

Maar al bij al valt dat nummer best mee. Lulu werd quasi-unilateraal weggehoond (enkel onze (jbo) sneed de gezinsverpakking nuance aan), maar dat hoefde nu ook niet meteen. En het heeft zelfs iets moois, hoe een artiest zijn meest verachte werk zo blijft verdedigen dat hij er zelfs een concert mee durft openen.

Erger is het gesteld wanneer daar meteen “Heroin” op volgt. Reed neuzelt lusteloos wat weg, zonder dat afgestompte gevoel te benaderen waar het om draait. Zijn zevenkoppige band — aangevuld met voorprogramma Joan As Policewoman als backingvocaliste — maakt het nog wat erger. Zeker drummer Tony ‘Thunder’ Smith maakt zijn bijnaam waar, en mept het nummer naar de verdoemenis met een te zware en té strakke drumbeat; je verzinkt niet in narcose op de maat van een 4/4-ritme, waar een deel van het publiek zelfs idioterwijs op begint mee te klappen.

Nog maar een Velvet Undergroundnummer om dat recht te zetten? Vooruit dan: “I’m Waiting For The Man” rekt het openingstrio tot ruim 35 minuten, maar dat is niet erg. Dit stampen heeft de band wél onder de knie, en Reed wordt er zelfs een beetje onbelangrijk in. Dat is op zich waarschijnlijk ook niet echt de bedoeling, maar ’t is dan ook een goeie groove, dit gedram. Dit is wat Velvet Underground in 1967 zo bijzonder maakte; dat creatief stoeien met monotonie, de introductie van de drone in rock. “Senselessly Cruel” swingt en scheurt, en ook daar is het de band die de boel recht houdt. Een freejazzsax schettert het nummer aan stukken, de band davert door; als was het een Rolling Stonesnummer waar net een kudde olifanten overheen trekt.

En het is weer tijd voor een blokje Lulu. De band zet in “The View” een goeie Metallica neer, maar dat potsierlijke “I AM THE TABLET” haalt alles onderuit. Metal is om te lachen, Lou Reed niet. En de twee hadden elkaar dus niet mogen ontmoeten. “Mistress Dread” is vervolgens het derde nummer uit die samenwerking; de zaal stroomt leeg naar de bar. Dat krijg je als er “op vraag van de artiest” geen drankjes mee binnen mogen.

En dan mag er eindelijk nog wat oud werk uit de koffer. Deze tour heet uiteindelijk From VU to Lulu, dus er is meer dan veertig jaar te bestrijken. Een bloedmooi “Cremation” uit Magic And Loss bijvoorbeeld, of “Think It Over”, ook alweer uit 1980. Maar dan is er het apathische geneuzel van “Walk On The Wild Side”, en je vraagt je af wat het over Reed zegt als hij zelf de zwakste schakel op het podium is geworden. Dan kom je akelig dicht bij Brian Wilsonterrein.

Ook “Sad Song” is niet de triomfantelijke apotheose die het zou moeten zijn. Het gaat voorbij als een ietwat natgeregend rotje, en Reed gooit er nog een laatste Lulu-nummer tegenaan. “Junior Dad” is een sterk nummer echter, dus geen klachten, net als over de bissen “Beginning To See The Light” en “Sweet Jane”.

Maar toch klopt het allemaal niet meer zoals het zou moeten. Reed was zo slecht nog niet, maar ook niet goed genoeg. Misschien is het dus toch in ieders belang, zowel het zijne als het onze, dat dit de laatste keer was. De nalatenschap van Velvet Underground is te belangrijk om ze verder te zien afbrokkelen. Het pensioen is welverdiend.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in