The Dictator

 

Als er één ding is waar Sacha Baron Cohen in uitblinkt, dan is het wel in het promoten van zijn films. Zijn optredens, vrijwel altijd in character, op talkshows en evementen, brengen telkens opnieuw een mild-geschandaliseerde buzz aan de gang waar andere prenten alleen maar van kunnen dromen. Voor ‘The Dictator’ is niet anders: Cohen dook onlangs op in een aflevering van ‘Saturday Night Live’, waarin hij Martin Scorsese martelde om toe te geven dat de film beter is dan ‘Raging Bull’. Aan het begin van het festival van Cannes reed hij over de Croisette op een kameel, om daarna een lijk in de zee te dumpen. Cohen zelfpromotie is even schaamteloos en opzichtig als zijn komedies, en in het geval van ‘The Dictator’, helaas, ook een stuk grappiger.

De mockumentary-stijl van ‘Borat’ en ‘Bruno’ wordt ditmaal gedropt voor een traditioneel scripted verhaal. Cohen speelt admiraal-generaal Aladeen, de sadistische dictator van de Noord-Afrikaanse staat Wadiyah, wiens hobby’s bestaan uit het executeren van willekeurige stafleden, de aanbouw van een nucleair arsenaal met spitse koppen, en het spelen van “Munich Olympics” op zijn Wii (Oy vey!). Om de Verenigde Naties te sussen, besluit Aladeen (Aladdin, snapt u ‘m?) naar New York te trekken om een speech te houden. Maar daar is hij nog maar nauwelijks aangekomen wanneer zijn verraderlijke oom Tahir (Ben Kingsley) een moordaanslag op hem pleegt. Aladeen moet op de vlucht, anoniem voor het eerst in zijn leven, terwijl een dubbelganger zijn plaats inneemt voor het oog van de wereld. Gelukkig wordt hij opgevangen door Zoey (Anna Faris), een neo-hippie die een macrobiotisch winkeltje uitbaat waar alleen illegalen werken en er een “lesbian’s bathroom” aanwezig is. Dolletjes!

Vergis je echter niet: in die samenvatting klinkt de film coherenter dan hij overkomt op het scherm. Terwijl je zit te kijken, voelt ‘The Dictator’ aan als een collectie half-geïmproviseerde sketches, waarvan er sommige werken en heel wat dood in het water vallen. Neem nu de gastrol van John C. Reilly, als rabiaat racistische security agent. Wanneer Aladeen in Amerika aankomt, maakt hij kennis met de dictator en zegt hij letterlijk: “I hate Ay-rabs. Ik haat eigenlijk iedereen die niet uit Amerika komt, want dat zijn voor mij allemaal Ay-rabs.” Einde van de scène.

En wat was nu juist de clou daarvan?

Het probleem, vermoed ik, is dat Cohen en de roedel coscenaristen die aan de film hebben gewerkt, in feite een omgekeerd denkproces hebben moeten doorgaan. Normaal gezien begin je met de beginsels van een verhaal en bedenk je dan personages die daar in passen. Maar de comedy van Cohen vertrekt altijd vanuit een bepaalde figuur, en dan krijg je een soort invuloefening: Aladeen die de sadist uithangt in zijn paleis, Aladeen die verloren loopt in New York, Aladeen die de biowinkel op zijn kop zet, enzovoort. De makers moeten proberen om een filmische structuur rond een enkel personage op te bouwen, en dat is in feite zo goed als onmogelijk. Om ‘The Dictator’ te doen werken, had Cohen een minder egocentrische performer moeten zijn: hij had andere personages moeten toestaan om even grappig te zijn als hijzelf.

In principe heeft de film wel wat gemeen met ‘Coming to America’, de eighties-komedie met Eddie Murphy (toen die nog grappig was). Daar ging het over een (weliswaar sympathieke) Afrikaanse prins die de VS bezoekt. Die film was ook helemaal opgebouwd rond Murphy en zijn personage, maar het liefdesverhaaltje was daar belangrijker dan Murphy’s behoefte om toch maar zijn komisch talent te showen. Iedereen wist dat ze ook effectief met een volwaardige film moesten eindigen. Hier lijkt men veel te veel te vertrouwen op Cohens inherente grappigheid om de boel samen te houden. Ik vermoed dat we op de dvd nog minstens twee uur geknipte scènes zullen kunnen vinden, omdat ‘The Dictator’ gedraaid is volgens het principe: we filmen zoveel mogelijk grappig bedoelde situaties, en dan zien we in de montage wel dat het allemaal een beetje steek houdt. Niet dus.

Hier en daar zijn er wel scènes die echt werken: Aladeen en een vertrouweling die een ritje maken in een helikopter boven Manhattan, en in het Arabisch beginnen te praten over de nieuwe Porsche 911, tot de ontzetting van het brave blanke koppel tegenover hen, dat niets anders verstaat dan “nine eleven”. Oké, dat is geestig. En ook kleine one-liners durven wel eens raak te zijn: Aladeen die na de seks van Megan Fox afrolt, en meteen aankondigt: “You now have herpes.” Of de dictator die in een hotel uitroept: “Twintig dollar per dag voor wifi? En dan noemen ze mij de crimineel!”

Maar veel vaker zijn de grappen ook gewoon flauw, of worden ze zo waanzinnig vaak herhaald dat ze beginnen te irriteren. Zo heeft Aladeen de gewoonte om valse namen voor zichzelf te bedenken aan de hand van bordjes die hij om zich heen ziet hangen: “Mijn naam is Emer Gencyexit!” Die grap is al van de eerste keer niet origineel, maar dat nog tot daar aan toe. Het is wel onvergeeflijk om ze gewoon vijf keer achter elkaar te maken. “Neenee, wat is uw echte naam?” – “Emplyeesmus Washands!” – “Nee, uw échte naam!” – “Yeswe Ropen!” STOP ERMEE! Cohen en zijn vaste regisseur Larry Charles lijken ook te denken dat een vaag Arabisch accent met veel rochelende keelklanken anderhalf uur lang grappig blijft. Zij dwalen.

Je moet je ook afvragen: wie is er nog gechoqueerd door Cohens humor? Ten tijde van ‘Borat’ wist hij nog onder de radar binnen te vliegen, maar tegenwoordig weten we al wel wat het gaat worden. De masturbatiegrapjes, de blote piemels en de foute politieke verwijzingen (“Osama Bin Laden woont in mijn kasteel sinds ze zijn dubbelganger hebben doodgeschoten!”)… Ze zijn een beetje voorspelbaar geworden, niet? Het publiek zit ondertussen echt al in de zaal in de wetenschap dat het politiek incorrect en ranzig gaat worden. Probeer dan nog maar eens te verrassen.

De volgende keer misschien Sacha Baron Cohen in een komedie die niét volledig rond één van zijn typetjes is opgebouwd? Dat zou wel eens verfrissend kunnen werken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in