Tyrannosaur

De naam hebben we zelf bedacht, maar het fenomeen kent iedereen: het one film too many-syndroom. Meestal gaat het dan over sequels: goede films waar eindeloos vervolgen op worden gemaakt, tot er van de status van het origineel niet veel meer overblijft (‘Shrek’, iemand?). Maar het kan ook toegepast worden op volledige genres; filmstijlen die aanvankelijk originele, memorabele prenten opleveren, maar zo genadeloos worden uitgemolken dat ze na een tijdje voorspelbaar en irritant worden. Denk maar aan de hippe, postmoderne, nouvelle violence-Quentin Tarantino-school die in de jaren negentig opeens door elke pipo met een camera werd geïmiteerd. Wat vernieuwend en opwindend was ten tijde van ‘Pulp Fiction’, was effenaf saai tegen de tijd dat we aan ‘Revolver’ en ‘The Boondock Saints’ aankwamen.

Nog zo’n geval: het Britse sociale drama, dat al bestaat sinds de jaren vijftig (de kitchen sink-drama’s die het gevoel van desillusie na WOII moesten vertolken), en daarna uitgebreid werd beoefend door regisseurs als Ken Loach en Mike Leigh. Die films waren soms echt briljant, maar je zou kunnen argumenteren dat we na dik vijftig jaar stilaan wel genoeg gedeprimeerde werkmensen hebben zien comazuipen in groezelige pubs waar de rook als dikke pap in de lucht hangt (waarna de mannen naar huis gaan en hun vrouw en kroost wat meppen uitdelen om te onderstrepen dat het echt niet plezierig is om een werkmens te zijn). Wie nu nog met dat genre uitpakt, zonder er, in de stijl van Shane Meadows’ ‘This is England’, iets wezenlijks nieuws aan toe te voegen, kan maar beter sterk in zijn schoenen staan. Acteur Paddy Considine maakt zijn regiedebuut met ‘Tyrannosaur’, een oertraditioneel voorbeeld van het genre, maar kan de verstikkende nalatenschap van zijn vele voorgangers niet van zich afschudden.

Peter Mullan speelt een indrukwekkende rol als Joseph, een werkloze man die na de dood van zijn vrouw achterblijft met een onuitputtelijk reservoir aan woede. Hij zoekt ruzie met iedereen die zich aandient, construeert al zijn zinnen rond het woord “fuck” en in de openingsscène slaat hij van pure frustratie zijn eigen hond dood. Op een dag ontmoet hij Hannah (Olivia Colman), die werkt in een soort Leger des Heils-winkel en haar eigen problemen ontvlucht in haar geloof. Die problemen nemen voornamelijk de vorm aan van haar man James (Eddie Marsan), die haar regelmatig bont en blauw slaat en voor wie seks niet noodzakelijk met de volle goesting van zijn vrouw moet verlopen. Geen vrolijk trio dus, en de mix van die drie personages leidt onafwendbaar naar een grote tragedie.

Je moet het Considine nageven: hij levert geen half werk af. De man wilde een sociaal drama maken, en dammit, veel dramatischer kan het echt niet worden. Zeker tijdens de eerste helft van zijn film lijkt hij vlakaf te koketteren met de dieptes van menselijke miserie die hij in kaart durft te brengen. Elke scène is een confrontatie, elk moment wordt bewust nog harder gemaakt dan het vorige. “Ken Loach is een mietje,” hoor je Considine denken, “ik zal eens écht wat miserie in beeld brengen!” Daarvoor gebruikt hij nog steeds de vertrouwde elementen uit het arsenaal van het kitchen sink-genre (de vunzige pubs, de armzalige huisjes, de mensen die er uit zien alsof ze louter leven op alcohol en sigaretten), maar hij gebruikt ze gewoon nadrukkelijker. Nooit was een pub vunziger, een huis armzaliger of een personage troostelozer dan in ‘Tyrannosaur’.

Het probleem daarmee is simpelweg dat het de film een air van onoprechtheid geeft, alsof Considine meer bezorgd is om zijn imago als “regisseur van een beenharde, compromisloze film” dan om hetgeen zijn verhaal en personages echt nodig hebben om geloofwaardig over te komen. De regisseur zit er zo voelbaar aan te trekken en sleuren, dat zelfs een scène waarin Hannah brutaal verkracht wordt door haar man, niet de gewenste emotionele reactie uitlokt. Natuurlijk is wat er gebeurt gruwelijk, maar wat je er spontaan bij denkt, is ook: “Kijk Considine eens proberen om zijn publiek te schokken.” Het helpt ook niet dat hij zijn script vol stouwt met goedkope metaforen, die er vingers dik op liggen (van een agressieve, levensgevaarlijke hond wordt gezegd dat “het beest er ook niet aan kan doen; hij is zo gekweekt” – snapt u ‘m?).

Tijdens de derde akte van zijn verhaal herpakt Considine zich gedeeltelijk. De focus verschuift van Joseph naar Hannah: de twee personages proberen elkaar uit hun miserie te helpen, en geloof het of niet, maar na een uur sluipt er toch nog een streepje menselijkheid de prent binnen. Een begrafenisscène op de tonen van Damien Dempsey’s ‘Sing all Our Cares Away’ blijft echt aan de ribben kleven, en ook het einde van de film is indrukwekkend: Considine slaagt er in om ons een laatste plotwending te geven die zowel verrassend als geloofwaardig is, wat geen evidentie is. Het lijkt wel alsof ‘Tyrannosaur’ de gebruikelijke structuur van dergelijke drama’s omdraait: normaal gezien begin je rustig en bouw je de spanning en tragiek geleidelijk op. Hier begint de regisseur meteen met het grote geweld, om naar het einde toe een beetje te kalmeren en iets beter te luisteren naar wat zijn personages hem influisteren, in plaats van eigen zijn fel aangedikte emo-terreur op te dringen.

Dat sterke laatste half uur en de schitterende acteerprestaties van het centrale trio, zorgen er voor dat ‘Tyrannosaur’ toch het bekijken waard is. Peter Mullan weet zijn mix van sluimerend geweld, kwetsbaarheid en zelfwalging echt voelbaar te maken, Eddie Marsan is een ronduit griezelige psychopaat en Olivia Colman draagt de hele prent, met een doorleefde vertolking van wat eigenlijk een clichérol is (“de lijdende vrouw”, die het fysieke en mentale misbruik van twee mannen doorstaat; ik veronderstel vanuit haar katholieke reflex om de zonden van anderen op zich te nemen). Het is alleen jammer dat Considine zijn eerste uur niet had kunnen herschrijven in de geest van die laatste dertig minuten.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in