We Bought a Zoo

Na een afwezigheid van zes jaar (sinds
‘Elizabethtown’ uit 2005), is één van de laatste ongegeneerde
romantici van de filmindustrie terug. In weerwil van het cynisme
dat steeds gangbaarder is geworden, is Cameron Crowe steeds films
blijven maken over inherent goede mensen, waarin de liefde
uiteindelijk altijd overwint. Een fikse emotionele loutering was in
zijn verhalen nooit veraf, en een sentimenteel momentje, dat
allicht zoetzemerig zou zijn geworden in de handen van een andere
regisseur, kon er altijd nog wel af. Denk maar aan John Cusack die
met een boombox onder het raam van zijn lief ging staan in ‘Say
Anything’, de “you had me at hello”-scène uit ‘Jerry
Maguire’ of de onvergetelijke Tiny Dancer-sequens in ‘Almost
Famous’. Op hun best bevatten Crowe’s films een zeldzame
oprechtheid en ontwapenende naïviteit. Maar af en toe dondert hij
ook wel eens van het slappe koord af dat romantiek scheidt van
stroperigheid. En dan krijg je bijvoorbeeld ‘We Bought a Zoo’, een
film die, ondanks sympathieke vertolkingen, verzuipt in zijn eigen
meligheid.

Matt Damon speelt Benjamin Mee, een journalist die
na de dood van zijn vrouw alleen overblijft om zijn twee kinderen
op te voeden: zijn zevenjarige dochtertje Rosie en zijn
vijftienjarige zoon Dylan. Om schoon schip te maken met het
verleden, gaat hij op zoek naar een nieuw huis, en op die manier
komt hij op een landgoed terecht dat zowaar een vervallen zoo
herbergt. De dieren zijn er nog, en worden verzorgd door een
kerncrew van een handvol vrijwilligers (waaronder Scarlett
Johansson, die probeert om haar slabakkende carrière van de laatste
jaren een zap met de defibrillator te geven). Benjamin heeft
blijkbaar ook al eens een Hollywoodiaans melodrama gezien in zijn
tijd, en herkent meteen de manier waarop de zoo een metafoor is
voor zijn eigen emotionele situatie. Hij besluit het domein te
kopen en op te knappen, zodat hij de dierentuin weer kan openen
voor het publiek. In Amerika verdienen journalisten klaarblijkelijk
meer dan bij ons.

Dat alles klinkt als een voorspelbare
weepie, en dat is het ook wel. De aantrekkelijke blanke
man die een trauma moet overwinnen in flatterend belichte
huilscènes? Check. Het waanzinnig schattige dochtertje dat
steeds met een perfect getimede snoezige one liner aan komt draven?
Check. De voorspelbare conflicten met de mokkende
tienerzoon? Check. Een slechterik in de vorm van een
zoo-inspecteur die constant rondloopt met een verdacht fallische
lintmeter? Check. De latente romance met een goed van oren
en poten voorziene deerne die heel misschien door de rouw van onze
held kan breken? Double check. Met de mogelijke
uitzondering van ‘Vanilla Sky’ (die echt niet aanvoelde als een
Cameron Crowe-film), heeft de regisseur nog nooit een prent gemaakt
die niét one from the heart was. Je kan ze goed
vinden, je kan ze slecht vinden, maar projecten als ‘Singles’,
‘Jerry Maguire’ en ‘Almost Famous’ waren sowieso met liefde
gemaakt. Ze reflecteerden de persoonlijkheid van de regisseur. Ze
waren Cameron Crowe-films. Van ‘We Bought a Zoo’, daarentegen, had
je me gerust kunnen wijsmaken dat iemand anders hem gemaakt had. De
prent zeilt van het ene voor de hand liggende plotpunt naar het
andere en weet nergens te verrassen. Wie hier een boombox- of Tiny
Dancer-momentje in kan terugvinden, mag het me altijd melden, want
ik heb hem gemist. (En nee, Matt Damon die zijn hart lucht bij een
leeuw die op sterven ligt, telt niet mee. Evenmin als de
ondraaglijk schmaltzy flashback op het einde.)

Wanneer Crowe beslist dat de tranen even plaats
mogen maken voor een lach, voert hij trouwens een stelletje
nevenfiguren op die zodanig kluchtig zijn, dat ze uit een andere
film lijken te zijn weggelopen. Een makelaar in onroerend goed die
praat als een volwassen geworden Steve Urkel. Een komieke zatlap
die vroeger nog in een circus werkte en nu, niet geheel verstandig
gezien zijn doorsnee promillage, voor de leeuwen zorgt. En
natuurlijk die inspecteur, die vaag doet denken aan Superintendent
Chalmers uit ‘The Simpsons’ (Skinneeeeer!). Allemaal zijn
ze expliciet in het scenario gepropt om de comic relief te
zijn, en wanneer ze niet nodig zijn, verdwijnen ze van het toneel.
Subtiel schrijfwerk is dat niet; je krijgt van de slag het gevoel
in een andere film te zijn beland.

Heel af en toe komt er toch een oprecht menselijk
momentje naar de voorgrond. De relatie tussen Benjamin en zijn
broer Duncan (naar goede gewoonte alweer uitstekend gespeeld door
Thomas Haden Church), is waarschijnlijk de enige die zich ergens op
een reëel niveau afspeelt. Oké, ook dat personage is eigenlijk niet
meer dan a) een klankbord voor Benjamin, zodat die iemand heeft om
zijn gevoelens aan te vertellen, en b) ook weer een komische
nevenfiguur, maar je voelt wel een affectie tussen die twee, die
veel minder geforceerd is dan al de rest.

Bovendien wordt er degelijk geacteerd. Matt Damon
is zelfs in de slechtste films nog steeds bekijkbaar, en hoewel hij
hier in de steek wordt gelaten door het scenario, geeft hij een
bedrieglijk eenvoudige, humane invulling aan zijn personage. Damon
is een acteur die zelden of nooit te veel zal doen voor de camera;
meestal zoekt hij ingetogenheid op, en dat helpt hem ook hier een
eind op weg. Het alleen jammer dat Crowe geen andere manier vindt
om de tristesse van Benjamin uit te drukken dan hem
simpelweg achter een gesponsorde MacBook Pro te zetten en te laten
wenen bij de foto’s van zijn overleden vrouw, een soapy
ingreep, les één uit de cursus “hoe laat ik mijn publiek
huilen?”.

‘We Bought a Zoo’ is een melige tragikomedie, zo
simpel is het. Ja, de fotografie is mooi, met een stuk of wat
knappe zonsondergangen, maar weet je: dit is een Amerikaanse
big budget-film, natùùrlijk is die fotografie mooi. En ja,
de liedjes die Crowe op de soundtrack zet, zijn alweer de moeite,
want Crowe is een notoire muziekkenner en -journalist. Maar zijn
verhaal raakt niet. De emoties klinken vals. Deze zoo is geen
bezoekje waard.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in