Ken Vandermark :: 18 maart 2012, Parazzar

Volgens de man zelf was het nog maar de derde keer dat hij een soloconcert gaf op Europese bodem, maar van enige terughoudendheid was, zeker na zo’n vermoeiende week met het Resonance Ensemble, geen sprake. Vandermark gaf van meet af aan het volle pond in een concert dat zijn meesterschap als improvisator voor eens en altijd onderstreepte.

Er stond een man die zich duidelijk in z’n sas voelde, tijd maakte voor een paar grappen en anekdotes en een lofzang voor België, dat stilaan z’n Europese thuishaven geworden is. Wie op basis van die ontspannen indruk een concert verwachtte dat het weekend in alle rust uitgeleide zou doen, werd echter met een klets in het gezicht wakker geschud. Vandermark ging op basklarinet, klarinet én baritonsax tekeer alsof hij nog enkele rekeningen te vereffenen had met het metaal. Niet zomaar om een publiek te imponeren, maar om voor zichzelf na te gaan waar de grens lag. Hij ging dan ook meteen van start met ziedend geblaat op de basklarinet, een instrument dat zich bijzonder goed leent voor een furieuze work out-sessie.

Grote intervalsprongen, brul-, reutel- en bromklanken, circulaire ademhaling, terugkerende riedels waarop eindeloos gevarieerd werd: het zat er allemaal in en werd uitgevoerd met een imponerende concentratie en zinderende intensiteit. Die bleef ook overeind in een tweede stuk, dat heel wat kalmer en lyrischer was. Het eerste klarinetstuk werd opgedragen aan voorgangers Jimmy Giuffre en John Carter, niet voor niets sleutelfiguren die een bepalende rol gespeeld hebben in het aanzien van de klarinet binnen de avant-gardejazz. Het stuk werd ook met de navenante tegendraadsheid uitgevoerd, met schrille uitschieters en een haast hysterische golf van ademstoten.

Na die hoge frequenties kwam de baritonsolo bijna als een verademing, maar ook dat ritmische stuk dat de koppen in het publiek op een neer deed deinen, was een expressieve tour de force met een verbluffende wendbaarheid. Die souplesse kwam ook op het voorplan aan het begin van de tweede set, met een stuk dat opgedragen werd aan Harry Carney, baritonsaxofonist bij het legendarische Ellingtonorkest. De tweede set leek aanvankelijk een andere koers te gaan varen, al was het bereik zo mogelijk nog groter en tastte de man nog dieper in z’n reserves.

Zowel op de bas- als de reguliere klarinet speelde Vandermark met ritmische tongue slapping en dynamische intensiteit, waarbij repetitieve figuren door het hanteren van verschillende blaastechnieken — van fluistereffecten tot gruwelijke misvormingen — steeds een andere gedaante aannamen. De man is vaak de hort op met muzikanten met een nog agressiever of krachtiger profiel (denk maar aan mentor Peter Brötzmann, collega Mats Gustafsson en opvolger Dave Rempis), maar deze performance leek wel bedoeld om te laten weten dat hij nog steeds z’n mannetje kan staan. Afsluiten gebeurde met een baritonuitvoering van Jaap Blonks “Brult”, een stuk met ronkende stoombootuithalen dat meer dan eens aan het werk van Colin Stetson deed denken.

Makkelijk in het gehoor liggend was het allemaal niet — zoals iemand het mooi samenvatte, zat Vandermark voor een groot stuk van het concert in Brötzmann-modus –, maar het gebeurde met zo’n begeestering, zo’n beheersing en zo’n ‘ik-heb-hier-verdomme-nog-iets-te-bewijzen’-overtuiging dat de indrukken achteraf vooral te verzamelen waren onder de ‘V’, van verrassing, verbazing en zelfs verbijstering. En zo gebeurde het dat we amper vierentwintig uur na een van de strafste concerten van het jaar opnieuw eentje aan dat lijstje mochten toevoegen. Magistraal.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in