Extremely Loud & Incredibly Close

Ik vermoed dat het als Europeaan volstrekt
onmogelijk is om precies in te schatten hoe diep de trauma’s zijn
die 9/11 in de VS heeft veroorzaakt. Zelfs de meest geharde,
cynische, links-liberale Amerikaan staat bij wijze van spreken met
de tranen in de ogen wanneer het onderwerp ter sprake komt, of ze
er nu bij waren of niet. In zijn bespreking van Stephen Daldry’s
nieuwste, ‘Extremely Loud and Incredibly Close’, schrijft befaamd
criticus Roger Ebert (nochtans iemand die niet verdacht kan worden
van conservatieve rally ‘round the flag-sympathieën):
“No movie has ever been able to provide a catharsis for the
Holocaust, and I suspect none will ever be able to provide one for
9/11. Such subjects overwhelm art.”
Waarmee hij een
historische gebeurtenis die zes miljoen mensen het leven kostte,
zonder aarzelen gelijk stelt aan één die drieduizend mensen het
hoekje om hielp. Tja.

Het feit blijft dat de weinige dramatische films
die er al over die boze dag in september zijn gemaakt, zich meestal
beperkten tot weinig controversiële, strikt feitelijke verslagen,
die ofwel geen enkel politiek standpunt innamen (‘United 93’) of
anders mee op de kar van verontwaardigd Amerikanisme sprongen
(‘World Trade Center’). ‘Extremely Loud and Incredibly Close’,
gebaseerd op een knappe roman van Jonathan Safran Foer, is één van
de eerste melodrama’s die de aanslagen strikt gebruikt als
achtergrond en motivatie van een fictief verhaal. En dat wordt de
film niet altijd in dank afgenomen: de “hoe durft hij”-reacties
waren in de VS soms niet van de poes. Wat mij betreft is de vraag
niet zozeer “hoe durft hij”, als wel: wat heb ik aan nog maar eens
een neerbuigend, middle brow, Oscargeil filmpje van één
van de ongekroonde koningen van de neerbuigende, middle
brow,
Oscargeile cinema, Stephen Daldry?

‘Extremely Loud’ draait rond de negenjarige Oskar
(Thomas Horn), een jongen die lijdt aan het Aspergersyndroom (of in
ieder geval een exotische filmvariant daarop) en zichzelf een
uitvinder, pacifist en nog vanalles waant. Nadat zijn vader (Tom
Hanks) sterft in de WTC-torens op 11 september 2001, ontdekt Oskar
in diens kast een enveloppe met een sleutel in. Op de enveloppe
staat simpelweg het woord “black” geschreven. Oskar is er van
overtuigd dat het een boodschap is van zijn ouweheer, en gaat op
zoek naar het slot waarop de sleutel past – één van de miljoenen
sloten in New York. Hij wordt hierbij geholpen door een
mysterieuze, doofstomme oude man (Max von Sydow), terwijl zijn
moeder (Sandra Bullock) aan de zijlijn blijft staan.

Dat verhaal is op zichzelf niet zo memorabel: een
kind met een extreem rationele geest probeert een logische
verklaring te vinden voor de dood van zijn vader. Zonder het ooit
expliciet zo te formuleren, gaat hij er van uit dat hij de
betekenis achter het verlies van zijn vader te weten kan komen door
het raadsel rond de sleutel op te lossen. Als (volwassen)
kijker/lezer weten we natuurlijk beter, zodat we ook al snel kunnen
inschatten waar het allemaal zal eindigen: thuis, bij zijn moeder,
de enige plaats waar Oskar naartoe kan gaan. Wat het boek zo mooi
maakte, was juist hetgeen er specifiek literair aan was: het
meeslepende proza, Foers inzicht in de personages en vooral ook
zijn gebruik van grafische elementen (foto’s, tekeningen,
lettertypes en interpunctie), die van het boek bijna een collage
aan visuele en talige elementen maakte. Met de vertaling naar een
ander medium is dat alles natuurlijk verloren gegaan, en de
melodramatische aspecten van het verhaal komen dan ook pijnlijk
bloot te liggen. Daldry is een middle of the
road-
regisseur, die consequent kiest voor een klassieke,
eminent smaakvolle, respectabele aanpak, die ook wel eens een
tikkel saai durft te worden. Om ‘Extremely Loud’ boven de
beperkingen van zijn verhaallijnen te doen uitstijgen, had er
echter een regisseur aan het roer moeten staan die even gedurfd was
in zijn visuele stijl als Foer in zijn schrijfstijl. Iemand die aan
dat bronmateriaal iets had kunnen toevoegen dat even fundamenteel
filmisch was als Foer fundamenteel literair was. Iemand met kloten
en visie, enfin. Daldry – dat mag algemeen geweten zijn – heeft
geen van beide.

En op die manier wordt ‘Extremely Loud’, dat als
roman zo gedurfd en levendig was, een conventionele film, die
hardnekkig op veilig speelt. Daldry heeft er een
tearjerker van gemaakt, met alles er op en eraan:
strijkers op de soundtrack, Sandra Bullock als rouwende moeder, Tom
Hanks als sympathieke flashback-papa, hartverwarmende ontmoetingen
met de wildvreemden die Oskar ontmoet tijdens zijn zoektocht, een
ersatz-vader in de vorm van Max von Sydow en ga zo maar door. Net
als ‘The Hours’ en vooral ‘The Reader’ zit Daldry ons continu door
te seinen dat we dit allemaal erg serieus dienen te nemen. Humor is
zo goed als afwezig (net zoals dat het geval was in Daldry’s vorige
films), en de hele prent ontwikkelt zich aan de plechtstatige tred
van een begrafenisprocessie. Al het leven, alle vreugde uit het
boek (en het boek was regelmatig ongelooflijk grappig), zijn
allicht bewust achterwege gelaten, want wie heeft er ooit al Oscars
gewonnen met een grappige film?

Dat gebrek aan humor maakt het ook moeilijk om mee
te leven met het hoofdpersonage. Oskar, autistisch als hij is, is
namelijk een behoorlijk irritante etter, die nooit, maar dan ook
nooit, ophoudt met praten en voortdurend zijn meerderwaardigheid
moet tonen tegenover andere mensen. Dat was hij in het boek ook al,
maar daar werd hij nog op een geestige, ietwat ironische manier
afgebeeld. In de handen van een regisseur voor wie humor een
onbekend begrip is, wordt dat echter problematisch. Thomas Horn
doet zijn best in de hoofdrol, en gezien zijn leeftijd verdient hij
respect voor de gecontroleerde, goed gedoseerde prestatie die hij
aflevert, maar zijn personage wordt na een tijdje ronduit
onuitstaanbaar.

Er zijn wel sterke individuele scènes. Het was een
goede beslissing om Tom Hanks niet te tonen terwijl hij vastzit in
de torens. We horen zijn telefoontjes naar huis, waar hij telkens
opnieuw op het antwoordapparaat terechtkomt. Eerst is hij nog kalm,
daarna lijkt hij te beseffen dat hij niet naar huis zal raken. Het
effect van dat geluid alleen, in combinatie met de reacties van
Thomas Horn, werkt erg goed. En aan het einde van de film heeft
klassebak Jeffrey Wright nog een mooie, emotionele scène, waarin
hij vertelt over zijn eigen relatie met zijn vader. Dat soort
momentjes springen er uit, maar ze zijn niet genoeg om een film te
redden die een koppig letterlijke interpretatie biedt van een boek
dat daar fundamenteel niet van gediend is. ‘Extremely Loud and
Incredibly Close’ vroeg om fantasie, om vindingrijkheid. Niet om
soberheid en classicisme.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in