Albert Nobbs

Venten die zich in een bloemenjurk hijsen en mamzellen die hun
boezem insnoeren onder brede hemden en een werkmansbroek: het is
vreemd genoeg een oude traditie in de geschiedenis van het acteren.
Vooral bij mannen is het aandoen van een flatterend kleedje erg
populair: in komedies lieten ronkende namen als Jack Lemmon en Tony
Curtis (‘Some Like it Hot’), John Travolta (‘Hairspray’), Eddie
Murphy (al zijn films) en recent nog Adam Sandler (‘Jack – kill
me, kill me now
– and Jill’) zich welwillend ombouwen, maar
ook Cary Grant ging al eens graag in roze peignoir of
volledige drag voor de camera staan (respectievelijk in ‘Bringing
Up Baby’ en het van een legendarische titel voorziene ‘I Was a Male
War Bride’). Stille filmster Wallace Beery bouwde met zijn
vrouwelijke typetje Sweedie zelfs een heuse franchise uit. Peter
Van de Veire is daar nog altijd kweenihoe jaloers op.

Dat zijn dan luchtige rollen. Iemand als Grant zien rondhuppelen
en horen spreken met een hoog stemmetje heeft nu eenmaal een
poepsimpel, maar onweerstaanbaar komisch effect. In een drama valt
zoiets moeilijker te plaatsen – al willen wij George Clooney vooral
niet ontmoedigen om het toch eens te proberen. Het omgekeerde zien
we bij de vrouwen: als die het wagen om hun haar kort te wieken en
een valse moustache op te plakken, mag je er donder op zeggen dat
je naar een serieuze film aan het kijken bent. Go figure.
Zo vertolkte Mary Pickford bijna honderd jaar geleden de titelrol
in de klassieke familiefilm ‘Little Lord Fauntleroy’, bracht Tilda
Swinton als jonge edelman het grootste deel van ‘Orlando’ door in
een streepjesmaillot en sleepte Linda Hunt zowaar een Oscar in de
wacht toen ze voor ‘The Year of Living Dangerously’ in de huid
kroop van een mannelijke fotograaf. Ook Glenn Close probeert niet
bepaald voor de slappe lach te gaan in period drama
‘Albert Nobbs’, een serieuze studie over een emotioneel diep
beschadigde vrouw die zich in een butlerpak hijst om zo meer
sociale kansen te krijgen. Maar er is daar toch iets misgelopen: de
film is in zijn weinige genietbare momenten immers – geheel
onbedoeld – even grappig als diep, díép verwarrend.

Het verhaal speelt zich af in Ierland, laat in de 19e
eeuw. Albert Nobbs werkt er al enige tijd in het Morrison’s Hotel –
gezien de terminale sufheid van de film zouden wij er geen
Doors-verwijzing in gaan zoeken – waar ze als een grijze muis
tussen het meubilair verdwijnt. Wanneer zij echter schilder Hubert
Page (Janet McTeer) ontmoet, een gehuwd man die eigenlijk net als
zij een vrouw is, begint ze te spelen met het idee een
meisje te zoeken om mee te trouwen – niet zozeer voor de liefde als
wel tegen de eenzaamheid. Al snel valt Alberts blik op Helen (Mia
Wasikowska is cute as hell met haar blonde krulletjes en
speelse Ierse tongval), een flirterig kamermeisje dat als een blok
valt voor de charmante driftkikker Joe (Aaron Johnson). Albert is
echter een sociale catastrofe en weet niet hoe ze een jong ding het
hof dient te maken. Ondertussen blijft ze sparen om ooit samen met
Helen een tabakswinkeltje te openen.

Glenn Close speelt
uiteraard de titelrol, maar fungeert, in een poging het begrip
“Oscarhengelen” naar nieuwe hoogtes te stuwen, ook als producer én
schrijver. Het spijtige: ’t is niet alleen zo dat die typische
“geef mij prijzen, snel, véél!”-attitude er vingerdik op ligt, maar
ook – en vooral – dat het simpelweg slecht gedaan is. Close staat
er de hele tijd bij als een kruising tussen een sociaal
gehandicapte kindermoordenaar en een robot op “stand-by”-stand.
Daarbij torst ze negentig procent van de film een blik die ons leek
te zeggen, “uh-oh, net in mijn broek geplast! Wat nu?!” Ze creëert
op die manier een uitermate vreemd personage dat haast niet van
deze planeet lijkt te zijn. En dat maakt dan weer dat alle
interactie met andere personages – vooral Hubert, met wie ze een
soort vriendschap opbouwt – totaal ongeloofwaardig overkomt. ’t Is
alsof u die ene kerel met een gevouwen gazet op zijn hoofd die
altijd van twee tot vijf op zijn vaste bankje in het dorpspark voor
zich uit zit te staren opeens zou gaan vragen, “en hoe gaat het met
u, jong? Alles in orde thuis?”

Hired hand Rodrigo García, die bij veel prestigieuze
reeksen achter de camera stond, maakt ondertussen niet bepaald
goeie reclame voor het beroep van de tv-regisseur – de loonslaaf
van de Director’s Guild, zeg maar – want ‘Albert Nobbs’ ziet er
daadwerkelijk uit als een tv-film, and it ain’t pretty. De
aftandse soundtrack, de kleffe fantasiestukjes waarin Albert
dagdroomt over zijn eigen kleine winkeltje en de melodramatische
plot zorgen evenmin voor veel schwung. Van de jonge acteurs
(Johnson en vooral Wasikowska) én Brendan Gleeson (als de
clichématige dronken dokter) gaat nog enige charme uit. Janet
McTeer heeft net als Close een Oscarnominatie op zak – je kan op
dat Oscarhengelen zagen wat je wil, maar that shit works,
dude
– maar blijft toch redelijk kleurloos. Hoe wij ons af en
toe tóch amuseerden tijdens de film? Door even naar Close’
samengespannen smoelwerk te kijken en zinnetjes te bedenken als:
“Oh nee, ik heb de gas laten open staan!” Ze kijkt ook een beetje
alsof ze de hele film lang de plot van ‘The Matrix Revolutions’
probeert uit te pluizen, en overstuur raakt wanneer dat niet
lukt.

‘Albert Nobbs’ is bovenal een heel erg rare film, waarbij de
universele vraag “say whaaat?!” voortdurende door ons
hoofd spookte – zo ga je mij niet wijsmaken dat niemand die
vleesgeworden C3PO van een butler verdacht vindt. De personages
zijn vlak en oninteressant, met de sociale context wordt niks
aangevangen en ook over de toch wel keihard voor het oprapen
liggende genderpolitiek wordt met geen woord gerept. Te moeilijk,
zeker? Wél krijgen alle belangrijke karakters netjes één monoloog
per stuk om hun motivaties en gevoelens uit te leggen, en heeft
Nobbs de handige gewoonte al zijn gedachten luidop uit te spreken.
Swingend! De rest van de film wordt volgemaakt met beelden van
Close die als een seniele oude vent over en weer schuifelt met
schoteltjes melk en kopjes thee. Laat u door de Academy niks
wijsmaken: dit is crappy, incoherente en zelfingenomen
tv-cinema die graag ontroerend zou willen zijn, maar blijft steken
op pijnlijk potsierlijk. In de living van Showbizz Bart én in de
Mask’ara in Borsbeek hebben wij al beter dragshows gezien. Boe!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in