Bjorn Berge :: Blackwood

Een volgetatoeëerde Noorse beer die stringmachine als bijnaam kreeg en de reputatie heeft om zelfs de ruigste bikers op de knieën krijgen, en dat op zijn eentje, gewapend met enkel een akoestische gitaar. De reputatie die Bjorge met zich meetornt is even karikaturaal als te begrijpen, maar met Blackwood bewijst hij andermaal meer in huis te hebben.

Op 2 mei 2005 zagen we Berge in de Turnhoutse Warande openen voor The Drive-by Truckers en onze onderkaak moet zowat op de grond gevallen zijn na dertig seconden. De man bleek immers een snarenvirtuoos die zijn imposante fysiek volledig in de strijd wierp en blues op steroïden speelde die rauw, groovy en verbluffend goed gespeeld was. In het midden van het decennium zag het er even naar uit dat Berge zou ontploffen (figuurlijk, maar ook letterlijk, door zijn angstaanjagend snel toenemende spiermassa), al kwam het er nooit helemaal van. Voor een stuk heeft dat ongetwijfeld te maken met het besef dat hij niet mocht uitgroeien tot een parodie van zichzelf. Hoe goed St. Slide (2004) ook mocht zijn, te veel herhalingen en hij zou uitgroeien tot de Hayseed Dixie van de blues: een gimmick. Een goeie, maar toch, een gimmick.

Vanaf het midden van de 00’s zou hij minder nadrukkelijk aansluiting zoeken bij een publiek van metalheads en alternativo’s en zijn eigen weg gaan, soms met uitjes in de richting van puur singer-songwriterterrein. Hier valt dan ook geen “Ace Of Spades” (live wel een certitude), “Give It Away”, “Locomotive Breath” of “Black Jesus” te bespeuren, maar slechts twee covers: Sleepy John Estes’ “Going To Brownsville” en Joni Mitchells “Woodstock”. Die voert hij uit met een gepaste beheersing. Het zou echter geen Bergeplaat zijn als er ook niet van die huzarenstukjes in zaten die volledig aansluiten bij zijn bekende shock & awe-tactiek, waarmee hij voor niemand moet onderdoen. We zagen hem zo nog openen voor wonder boy Joe Bonamassa. Die laatste had misschien een (nog) meer geperfectioneerde techniek, maar het bleef bij opschepperij die de kloten van Berge miste.

Wie die kloten wil, kan daarvoor al terecht bij de opener “In & Out” die de man niet alleen laat horen op gitaar maar ook op banjo, het instrument waarmee het voor hem allemaal begon. Zowel het banjoplukken als het gitaarspelen is hypergedreven, al gaat het er zo mogelijk nog wat vuriger aan toe in “Accused”, dat eigenlijk niet minder is dan akoestische hardrock. Ook “Sick ’N’ Tired” en het mijmerende “Those Days” (inclusief ode aan blonde Leffe!) zijn gefundenes Fressen voor zij die Berge het liefst van al in POWER-modus horen. In die nummers laat de man trouwens horen dat zijn blues een wel erg rekbaar begrip is. Funk, Americana, rock, het wordt allemaal verbasterd tot een rootsvariant die door en door Berge is.

Elders gaat het er zachtaardiger aan toe, zoals in het ingetogen “Blues For One”, het teneergeslagen slotakkoord “Darkness” en de mooie instrumentale titelsong. Nochtans zijn het doorgaans de rustige songs die Berges zwakkere plekken blootleggen. Zijn bullebakstem — Tony Joe White, maar dan geïrriteerd — klinkt soms wat geforceerd naast zijn subtiele gitaarspel, terwijl hij ook nooit een bijzonder tekstschrijver zal worden. Verzen als “Ups and downs, back and forth / Never closing any doors” (“Once Again”) en “Wanna belong to someone / The craving never ends / Always at the top / Impossible to stop” (“Same Old Fool”) laten horen dat hij aan het bedje ziek is van veel hardrock- en metalbands: zodra de gevoelige snaar beroerd wordt en de passie in de verf gezet wordt, gaat de sluis voor de clichés onherroepelijk open.

Literaire excellentie is echter niet zijn ambitie en die van de blues evenmin, dus dat is iets waar je hem bezwaarlijk op kan afrekenen. Het gitaarspel is naar goede gewoonte van een ongemeen hoog niveau en de variatie zal zowel blues- als rockliefhebbers kunnen overtuigen. Berge blijft een artiest die je vooral live aan het werk moet zien, maar Blackwood is een van zijn meest evenwichtige platen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in