J. Edgar

Laat het algemeen geweten zijn: Leonardo DiCaprio
wil een Oscar. Dat was al duidelijk toen hij zijn intense,
geconcentreerde frons overuren liet draaien in films als
‘Revolutionary Road’ en ‘Shutter Island’, maar nog nooit lag het er
zo dik op als in ‘J. Edgar’, waarin de acteur ongegeneerd de
ultieme troefkaart van de Oscarhengelaar bovenhaalt. Hij speelt,
met behulp van een moeilijk te plaatsen accent en een laag ouwe
venten make-up van heb-ik-jou-daar, een controversiële historische
figuur in een stoffige biopic van een vereerd regisseur. De
award buzz rond DiCaprio is inderdaad redelijk sterk.
Alleen heeft Zijne Intensheid de pech dat hij in een traditionele,
ingedommelde draak van een film zijn best staat te doen, die 137
minuten lang voorzichtig om een expliciet politieke figuur heen
draait, zonder ooit een politiek standpunt in te nemen of enige
reële inzichten te bieden, buiten het voor de hand liggende
freudiaanse geneuzel.

J. Edgar Hoover was de stichter en levenslange chef
van het FBI. Rond 1920 startte hij het toenmalige Bureau of
Investigation op met behulp van een collectie persoonlijk
geselecteerde wethandhavers. Voornaamste vereisten: de agenten
moesten fysiek fit zijn, “moreel” boven alle twijfel verheven
staan, bereid zijn om het zonder privéleven te stellen en er
bovenal uitzien als geschikte posterboys voor law and
order.
Hoover – aartsconservatief en mediageil als hij was –
bond de strijd aan met alles en iedereen die hij als onamerikaans
beschouwde: voornamelijk communisten (echt of ingebeeld, en of ze
nu iets illegaals hadden gedaan of niet), maar ook
mensenrechtenactivisten (inclusief Martin Luther King), vakbonden,
feministen en ga zo maar door. Geen verlichte geest, met andere
woorden. Hij legde ook een archief aan met bezwarende dossiers over
duizenden mensen, die hij achterhield voor chantagedoeleinden.
Onder acht presidenten werd hij beschouwd als de machtigste man in
Amerika, met de mogelijke uitzondering van de president. Het was
publiek geheim dat Hoover, ondanks zijn standpunten, heimelijk
homoseksueel was, en jarenlang samen leefde met zijn vriend Clyde
Tolson (hier gespeeld door Armie Hammer).

Da’s een sappige brok om een film over te maken,
maar “sappig” is nooit een sleutelwoord geweest in het oeuvre van
regisseur Clint Eastwood. Die afkerigheid van sensatie heeft zijn
voor- en zijn nadelen. Zolang Eastwood, en ‘Milk’-scenarist Dustin
Lance Black, zich concentreren op het privéleven van Hoover, valt
er wel iets voor die aanpak te zeggen. Onder invloed van zijn
dominante moeder (Judi Dench), die hem onomwonden vertelt dat ze
liever een dode zoon heeft dan een “daffodil”, durft de
machtige FBI-chef niet toe te geven aan zijn eigen seksuele
gevoelens. Hij doet een pijnlijke poging om “normaal” te zijn door
krampachtige avances te maken bij secretaresse Helen (Naomi Watts);
hij loopt letterlijk weg wanneer enkele meisjes hem na een
filmpremière het bed in proberen te praten; en zelfs zijn relatie
met Tolson blijft een eeuwige kwestie van willen-maar-niet-durven.
Dat is een geldige interpretatie van een figuur die notoir overhoop
lag met zijn seksualiteit, en die scènes zijn ook nog wel
geloofwaardig.

Waar het wel problematisch wordt, is wanneer de
filmmakers die kwestie proberen te gebruiken als de enige
verklaring voor Hoovers daden. Zijn corruptie, zijn machtsmisbruik,
zijn meedogenloze jacht op iedereen die niet paste in zijn
extreem-rechtse wereldbeeld: allemaal het gevolg van zijn
verdrongen homoseksualiteit. ‘J. Edgar’ reduceert een complexe
historische figuur tot de platste psychologische
gemeenplaatsen.

Maar het is in de politieke arena dat Eastwoods
weigerachtigheid tegenover sensatie echt pijn begint te doen. We
krijgen een makke greatest hits van Hoovers wapenfeiten:
zijn introductie van technische onderzoekstechnieken
(vingerafdrukken, forensisch onderzoek), zijn oorlog tegen de
communisten, de ontvoering van de Lindbergh-baby, zijn chantage van
John F. Kennedy en Martin Luther King enzovoort. Maar dat alles
wordt nooit meer dan een reeks gortdroog gepresenteerde anekdotes,
meestal zonder al te veel context of duiding. Waarom was Hoover nu
zo gebeten op King? De film moet het antwoord schuldig blijven,
maar suggereert voor het gemak dat het kwam omdat King goed lag bij
de dames, uiteraard een pijnpunt bij Hoover. En daar moet je ‘t
maar mee stellen, meer analyse krijg je niet. Ook spanning is ver
te zoeken: ‘J. Edgar’ sleept zich met statige pas van de ene scène
naar de andere, zonder energie of passie. Ik zat steeds te denken:
wat als Oliver Stone deze film had gemaakt? Oké, hij zou over de
top zijn geweest, ongetwijfeld, maar hij zou verdorie een stuk
interessanter, meer gepassioneerd en minder vervelend zijn geweest
dan deze droge kost. Eastwood lijkt continu op veilig te spelen,
ook waar het de politiek betreft: hij neemt nadrukkelijk geen
standpunt in over Hoovers spelletjes. Dat kan je verdedigen met het
argument: “hij laat de kijker zelf beslissen”, maar tegelijk
ontdoet het zijn film van alle urgentie. Waar zit de goesting
ergens? ‘J. Edgar’ duurt 137 minuten, maar lijkt eindeloos aan te
slepen.

Op zich wordt er niet slecht geacteerd. DiCaprio
hengelt naar prijzen dat het een aard heeft, maar hij voert zijn
nummertje degelijk op. Armie Hammer (bekend van ‘The Social
Network’) is oké als Clyde Tolson, terwijl Naomi Watts een
ongedefinieerd non-personage moet spelen (wie is die Helen
nu eigenlijk?), waar ze maar weinig mee kan aanvangen. Het helpt
ook niet dat de drie hoofdacteurs de helft van de tijd schuilgaan
onder de meest hilarische old age-make up die je de
laatste twintig jaar in een grote Amerikaanse film hebt gezien.
DiCaprio ziet er min of meer uit als een smeltend wassen beeld,
Watts als een verfrommeld zeemvel en Hammer als een muppet met
zware brandwonden.

Het ergste is misschien nog wel dat ‘J. Edgar’
helemààl niet zo ambitieus is als hij zich voordoet. Hij is groots
opgezet, ja. Hij beslaat een periode van 50 jaar, ja. Maar voor
Eastwood is pure grootschaligheid niet hetzelfde als ambitie – dit
is de regisseur van ‘Bird’, ‘Unforgiven’ en ‘Letters from Iwo
Jima’, die mens heeft al eerder omvangrijke films gemaakt, hij weet
al dat hij dat kan. Effectief iets wezenlijks vertellen over zijn
onderwerp, dàt zou misschien ambitie getoond hebben. Groter en
plechtiger is niet noodzakelijk beter. Clint, plan nog eens een
meeting met Paul Haggis en begin eens te werken aan een nieuwe
‘Million Dollar Baby’. Het is hoog tijd.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in