Hugo

Hoezeer we ook abjecte fans zijn van Martin
Scorsese (we hebben replica’s van zijn legendarisch borstelige
wenkbrauwen naast ons bed liggen voor eenzame nachten), de
voortekenen waren eerlijk gezegd niet bepaald gunstig voor zijn
jongste worp, ‘Hugo’. Een vroege trailer toonde ons veel slapstick
in wat een verdacht onrealistisch treinstation in Parijs leek. Een
kinderfilm in 3D, vol pratfalls, en dat geregisseerd door
de maker van ‘Goodfellas’, serieus? Geen nood, echter: ‘Hugo’ wordt
algemeen ontvangen als een grand cru, er is nu al enige
Oscar-buzz rond de film ontstaan, en hoewel we toch graag wat
kanttekeningen bij dat gejuich plaatsen, is het inderdaad een
verfrissende, geslaagde change of pace geworden, waarin de
regisseur op zijn 69ste zowaar een kant van zichzelf toont die we
nog niet eerder gezien hadden. En ja, dat onrealistisch
treinstation en zelfs die 3D worden verantwoord door de inhoud van
de film.

Het verhaal speelt zich af in het Parijs van de
jaren dertig. Hugo (Asa Butterfield, één van de jongetjes uit ‘The
Boy in the Striped Pyjamas’) is een weesjongen die zich schuilhoudt
achter de schermen van een (fictief) station, waar hij de klokken
onderhoudt. Zijn vader (Jude Law) was een uitvinder, die op het
moment van zijn dood werkte aan een mechanische pop. Nu probeert
Hugo de “automaton” verder af te werken, waarvoor hij regelmatig
kleine onderdelen gaat pikken bij Georges (Ben Kingsley), de
eigenaar van een speelgoedwinkeltje. Wanneer hij de oude man echter
beter leert kennen, ontdekt hij (spoiler, I guess, hoewel
het in sé niet veel zou mogen uitmaken) dat Georges niemand minder
is dan Georges Méliès, de filmpionier die ooit nog een raket in het
oog van de maan schoot. De gedesillusioneerde regisseur en de door
techniek bezeten jongen ontdekken dat ze elkaar misschien kunnen
helpen.

Op die manier blijkt ‘Hugo’ toch een meer
persoonlijke film te zijn voor Scorsese dan we op voorhand hadden
kunnen vermoeden. De regisseur is al jaar en dag de voorzitter van
The Film Foundation, een stichting gewijd aan de restauratie en
preservatie van oude films – vooral uit het tijdperk van de stomme
film, toen men vaak geen enkele reden zag om prenten te bewaren
nadat ze hun tijd in de zalen hadden gehad; ongeveer 80 procent van
alle films uit die vroege periode zijn definitief verloren gegaan.
Die kwestie staat centraal in ‘Hugo’. Het beste deel van de prent
is een lange flashback, waarin we zien hoe Méliès primitieve
special effects gebruikte om zijn fantastische visies tot leven te
wekken – zeemeerminnen, mannetjes in de maan, mensen die
verdwijnen. In die sequens is de passie van Scorsese voor die films
bijna tastbaar, om nog maar te zwijgen van een scène waarin Hugo
gaat kijken naar Harold Lloyds ‘Safety Last’ (de beroemde scène
waarin Lloyd aan een wijzer van een klok hangt te bengelen, vele
verdiepingen boven de grond). Op dat moment is Scorsese in feite
biografische cinema aan het maken, en je voélt het. Het is niet
veel bijna-zeventigjarigen gegeven om nog zo gepassioneerd te werk
te gaan.

In dat opzicht is het dus best wel toepassend dat
de regisseur 3D gebruikt voor ‘Hugo’: Méliès vond eigenhandig
technieken uit om zijn fantasierijke taferelen te voorschijn te
toveren; alles wat hij deed, was per definitie cutting
edge,
want er bestond gewoon nog niets. Dus hoe vertel je dan
een verhaal over die man? Door zelf de nieuwste technieken te
gebruiken. Samen met de B-52s en ‘Two Girls and a Cup’ (ken uw
klassiekers!), is 3D één van die dingen waar ik echt misselijk van
word, en hoewel ik niet direct mijn mening over dat technisch
gadget herzie, moet ik het toegeven: na ‘Avatar’ is dit de tweede
3D-film waar ik met plezier naar heb gekeken. Het beeld was niet te
duister, ik kreeg er geen hoofdpijn van en ook niet dat irritante
gevoel dat ik geen vat kon krijgen op de choreografie van de scènes
omdat die extra dimensie mijn overzicht in de weg stond. Scorsese
draaide in native 3D – in tegenstelling tot de conversies
van 2D die je meestal te zien krijgt – en hij hield gewoon ook
rekening met die extra dimensie in zijn cameraplaatsing en montage.
Om het spanningsveld tussen de voor- en achtergrond te benadrukken,
laat hij bijvoorbeeld continu stofjes door de lucht zweven, of
kleine sneeuwvlokken in buitenscènes. Dat is knap gedaan, en daar
bovenop komt ook nog eens een gestileerd productie-ontwerp en een
glorieuze fotografie van Robert Richardson. ‘Hugo’ speelt zich af
in een kleurrijk universum, dat visueel vaag doet denken aan dat
van Jean-Pierre Jeunet (maar dan met échte emoties in plaats van
eindeloze excentriciteit). Alles is minstens één stap verwijderd
van de werkelijkheid; het is de realiteit, gefilterd door de
fantasie van een kind dat net de cinema heeft ontdekt en er door
bezeten is. Op dat vlak is het de mooiste film die Scorsese in
jaren heeft gemaakt.

Maar dan blijft er wel het feit dat de plot als
dusdanig maar weinig spankracht bezit. Veel conflict is er
eigenlijk niet, dus om alles voort te stuwen, sleurt scenarist John
Logan er Sacha Baron Cohen bij als een protserige stationopzichter
die niet liever doet dan kinderen naar het weeshuis te brengen. Dat
personage moet op tijd en stond zorgen voor wat actie: een
(weliswaar met zwierige camerabewegingen in beeld gezette)
achtervolging, flink doorspekt met slapstick. Maar je merkt dat dit
aspect van het verhaal Scorsese eigenlijk niet veel kan schelen; de
scènes zijn wat al te duidelijk voer voor kinderen en voor iedereen
die zich niet interesseert in dat gedoe over oude filmmakers. Naast
Baron Cohen loopt er trouwens nog een bende nevenpersonages rond
die nu eens echt niéts te doen krijgt: Richard Griffiths,
Christopher Lee en Emily Mortimer zijn allemaal vaste gezichten in
het station, maar waarom ze nu eigenlijk in de film zitten, is mij
nog steeds een raadsel.

Da’s een belangrijke kritiek, maar begrijp me zeker
niet verkeerd: ‘Hugo’ heeft meer dan genoeg boeiende elementen om
je twee uur lang mee te slepen, en wanneer Scorsese zich kan
concentreren op de thema’s waar hij echt door gepassioneerd is,
ontwikkelt de film zich zelfs tot het pareltje waar andere critici
zonder voorbehoud over spreken. ‘Hugo’ is een prent die niets
minder wil zijn dan pure magie – meerbepaald, de magie die Méliès
tot leven wekte voor zijn publiek honderd jaar geleden. En af en
toe raakt hij er. Niet altijd, maar af en toe wel. Een half-gemiste
kans, kan je dan zeggen, maar dat is nog altijd meer dan de meeste
regisseurs in hun hele carrière presteren.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in