Bernard Quiriny :: Vleesetende verhalen

Dat de Belgica-reeks een pioniersfunctie zou kunnen vervullen in de dialoog tussen Walen en Vlamingen, was bij de uitgave van de eerste drie delen twijfelachtig. De uitgave van Bernard Quiriny’s Vleesetende verhalen illustreert echter dat de serie boeken wel degelijk de Vlaamse interesse voor de literatuur van Waals talent kan doen aanwakkeren.

De jonge Belgische, Franstalige auteur Bernard Quiriny wordt in de Waalse media een van de grootsten van de huidige generatie jonge schrijvers genoemd. Hij woont en werkt in Bourgondië, maar zou toch trots zijn op zijn Belgische nationaliteit. In 2005 debuteerde hij, maar het was wachten tot 2008 vooraleer hij echt in de schijnwerpers werd geplaatst. Voor zijn Contes carnivores kreeg de Waal toen verschillende prijzen, waaronder de Prix Rossel. Uit dat boek werd geput tijdens het samenstellen van de Vleesetende verhalen. Inmiddels heeft Quiriny echter alweer een nieuwe roman uit: een lijvig boek over wat hij zelf een feministische dictatuur noemt. Het boek veroorzaakte nogal wat ophef, hetgeen gezien de comprommiterende inhoud ook min of meer kon verwacht worden. Met Edgar Allen Poe als een van zijn grootste voorbeelden, zit de auteur immers niet verlegen om een schokkend beeld af en toe. Daarnaast noemt de schrijver ook Jorge Luis Borges als een van zijn grote voorbeelden, een verwijzing die Quiriny allicht voornamelijk in stilistische zin heeft bedoeld.

Schandalig genoeg is deze negende Belgica het eerste wat van Bernard Quiriny verschijnt in het Nederlands. De kwaliteit ervan doet hopen dat er in de toekomst meer zal volgen. Quiriny verleidt de lezer met zijn quasi ontwrichtende taal. Hij palmt de lezer in met chaos, want zijn gedachtenkronkels dwarrelen wild in het rond. Zijn surrealistische fantasie lijkt in functie te staan van een ruw, maar poëtisch spel met taal. Woorden worden binnenstebuiten gekeerd, wat het vanzelfsprekend niet gemakkelijk heeft gemaakt voor de vertaalster. Dat de Vleesetende verhalen een klein meesterwerk mogen genoemd worden, is dus voor een heel groot stuk te danken aan Hilde Keteleer, die eveneens een uitstekend nawoord toevoegde. Er mag echter niet vergeten worden dat het hier een selectie uit de Contes carnivores betreft. Oordelen dat Quiriny onmiddellijk publiekelijk erkend moet worden in ons taalgebied, zou kortom verkeerd zijn. Er kan immers aangenomen worden dat alleen de beste verhalen de selectieprocedure hebben overleefd.

De lezer krijgt vier korte verhalen voorgeschoteld, waarin Quiriny als het ware het menselijke inbeeldingsvermogen op de proef stelt. In het eerste verhaal doet een man een ampule bloed in een sinaasappelsap, bij wijze van linguïstisch experiment. Het tweede verhaal toont een protagonist die de taal van de Yapoes bestudeert. Door het kiezen van rare voornamen en te spreken zonder intonatie ontstaan hierin tal van verwarringen. Het derde verhaal, De liefdesverstrengelingen, beschrijft hoe een bankier er in slaagt om wekelijks zijn vrouw en drie maîtresses om beurten te zien, zonder dat ze erg hebben in elkaars liefkozingen jegens dezelfde man; een figuur die overigens in paniek raakt bij het zien van spiegels. Wat een fascinerend romanelement! Ten slotte raakt een botanicus bezeten door zijn vleesetende reuzenvliegenvangers uit de tropen, wat meteen ook een link vormt met de titel van het boekje.

De Vleesetende verhalen zijn echter ook ‘menseneters’ in die zin dat ze de lezer helemaal opslokken en niet meer loslaten tot deze het boek uitheeft. In afwachting van een omvangrijkere selectie uit Quiriny’s boek, is deze negende Belgica verplicht leesvoer voor liefhebbers van surrealisme in literatuur.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in