Page One: Inside the New York Times

Het is geen nieuws om te zeggen dat de grote deugd
van het internet meteen ook zijn grote nadeel is: zijn
beschikbaarheid. Enerzijds wordt het schrijven en publiceren van
teksten (journalistiek, kritisch of literair), het maken van muziek
en audiovisueel materiaal een fluitje van een cent voor iedereen
die een paar honderd euro (of minder) te investeren heeft, en
rondloopt met een minimum aan talent. Anderzijds wordt dat alles
ook een fluitje van een cent voor iedereen die dat talent niét
heeft, waardoor het web een eindeloze uitverkoop aan betwistbare
feiten, meningen en media is geworden, waarvan je zelden of nooit
op voorhand weet of je er enige waarde aan mag hechten – hoewel het
zichzelf doorgaans snel genoeg uitwijst; iedereen die naar hln.be
surft en denkt “dit is nu journalistiek”, is per definitie iemand
die zichzelf moet laten verzorgen door bevoegd personeel.

Toen ik eind jaren negentig mijn eerste stappen op
het internet zette en stilletjes begon na te denken over een
filmwebsite, leken de mogelijkheden me enorm: geen redactionele
beperkingen! Grondige filmkritiek met inhoud, die niet gebonden was
aan een vast aantal tekens! Hallelujah! Maar we weten allemaal dat
het niet heeft mogen zijn: het web is al gauw aan strenge
zelfcensuur gaan doen, waarin het juist allemaal korter, sneller en
oppervlakkiger moest; een enorme volume aan informatie (of iets dat
daarop lijkt), verpakt in berichtjes die nauwelijks langer zijn dan
een tweet. De mogelijkheid op uitdieping bleef grotendeels onbenut.
En als je maar wat over films zit te kwekken is dat nog niet zo erg
– het wordt pas echt tragisch eens je dezelfde fast and
loose-
stijl gaat toepassen op echte nieuwsverslaggeving.

Naarmate journalistiek zich meer en meer
verplaatste naar het digitale speelveld, moesten de kranten zich
steeds hardere vragen stellen over hun rol in die evolutie – waarom
zouden mensen nog kranten kopen met het nieuws van gisteren, als ze
nu ogenblikkelijk en gratis op het web kunnen lezen en zien wat er
gebeurt in de wereld? Jarenlang hebben de traditionele media
zichzelf wijsgemaakt dat het zo’n vaart niet zou lopen; dat kranten
die al meer dan honderd jaar een autoritaire positie bekleden niet
zouden sneuvelen door iets zo vulgairs als het web. Maar dat is wel
wat er nu gebeurt, zeker in de VS. Verschillende publicaties die
ooit onaantastbaar leken, zijn nu verdwenen. In de documentaire
‘Page One: Inside the New York Times’, volgen we het reilen en
zeilen op de redactie van één van de laatste bastions van
conventionele verslaggeving. De crisis is dieper dan ooit: de
journalisten lijken continu achter feiten aan te lopen die eerst
beschikbaar waren op WikiLeaks en andere sites. Ze kampen met
tegenvallende verkoopcijfers, die hun voortbestaan onzeker maken.
Kortom, ze worstelen met de eeuwige vraag: hoe blijft een papieren
krant relevant in een wereld die 24 uur op 24 kan voort zoeven op
een oneindig brede informatiesnelweg?

Het voor de hand liggende antwoord op die vraag is
dat de kranten een kwaliteitsniveau aanhouden waar het internet
niet aan kan tippen; zeg dat je voor de New York Times schrijft en
mensen nemen je automatisch serieus. Zeg dat je voor een site
schrijft en ze gaan er van uit dat het allemaal wel onzin zal zijn.
Die traditie van respectabiliteit is jarenlang de levensverzekering
van de analoge media geweest, maar werd bij de Times gedeeltelijk
onderuit gehaald door schandalen zoals die rond Judy Miller, een
reporter die zich in de aanloop naar Irakoorlog zand in de ogen
liet strooien door de Amerikaanse overheid en in haar artikels
verkondigde dat het bestaan van massavernietigingswapens bewezen
was. De krant werd beschouwd als mede verantwoordelijk voor het
begin van die oorlog. Of Jayson Blair, die simpelweg betrapt werd
op plagiaat. De digitale media lachten in hun vuistje en dansten
nog wat harder op het graf van de dagbladen.

‘Page One’ levert een fascinerende blik op het
dagelijkse leven op de redactie van een krant in crisis: de
vergaderingen, de jacht op goede verhalen en vooral de sluimerende
angst dat het binnenkort misschien allemaal gedaan zal zijn.
Centraal staat David Carr, een ouderwetse krantenman die, ironisch
genoeg, een verhaal aan het schrijven is over gruwelijk
mismanagement bij de Tribune-kranten. Carr is een extreem
no-nonsense kerel, die met een cynisch gevoel voor humor en een
stem als schuurpapier op de barricaden staat in de strijd tussen
analoog en digitaal. Keer op keer wijst hij op de infantilisering
van het nieuws die de laatste jaren heeft plaatsgevonden. “Het
nieuws wordt gedemocratiseerd op het internet: de mensen maken hun
eigen nieuws. Maar dat houdt in dat er continu geschreven wordt
over wat mensen willen lezen, niet noodzakelijk wat ze moeten
weten.” Zoals een andere stem het uitdrukt: “What people want,
is puppy dogs. We also have a duty to inform them.”
Het
internet speelt in op de populariteit van items, maar al te vaak
zonder zich de vraag te stellen of ze ook nieuwswaardig zijn.

Onpartijdig is de prent absoluut niet: regisseur
Andrew Rossi heeft zeker kritiek op de trage respons van de kranten
op de digitale revolutie, en hij ontkent ook niet dat er soms
fouten gemaakt werden bij de Times, maar ondertussen lijkt hij ook
te suggereren dat echte uitdieping en analyse vooralsnog het
privédomein van de betere krant is.

‘Page One’ heeft vaart, een interessant thema, en
met David Carr een charismatische hoofdfiguur. Zoals met wel meer
documentaires, zal je respons op de film grotendeels afhankelijk
zijn van je interesse voor het onderwerp, maar eerlijk: hoe kan dit
je niét interesseren? We zijn allemaal consumenten van het nieuws,
hoe het ons ook bereikt – de krant, tv, radio of internet; de vraag
is dan maar of we weten wat die keuze van medium inhoudt en of we
kunnen geloven wat we lezen. De film mist af en toe focus en
neutraal kan je hem ook niet noemen, maar het blijft één van de
belangrijkste verhalen van het jaar.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in