Win Win

’t Is moeilijk om het met zekerheid te zeggen, maar
de prijs voor de meest onderschatte acteur van het moment, moet
waarschijnlijk naar Paul Giamatti gaan. Deze geboren sad
sack,
die met zijn onbetaalbare karakterkop 24 uur op 24
non-stop wereldmoeheid uitstraalt, zat eerder dit jaar al in het
uitstekende ‘Barney’s Version’, die bij ons nauwelijks werd
uitgebracht, en nu staat hij opnieuw subtiel geweldig te wezen in
de tragikomedie ‘Win Win’. Giamatti’s acteerstijl is zodanig
understated en uit het leven gegrepen dat hij maar al te
makkelijk over het hoofd wordt gezien in lijstjes van grote
acteurs, maar iedereen die ooit ‘American Splendor’ en ‘Sideways’
heeft gezien, zou het eigenlijk moeten weten: dit is een grote
meneer. En dat bevestigt hij nog eens in deze milde prent van
Thomas McCarthy, de regisseur van ‘The Visitor’.

Giamatti speelt Mike Flaherty, een advocaat die
moeite heeft om het hoofd boven water te houden. Hij heeft maar een
handvol cliënten – die meestal niet echt vermogend zijn – een gezin
te onderhouden en een waterboiler die vreemde geluiden maakt. Om
zijn frustraties nog groter te maken, coacht hij in zijn vrije tijd
een worstelteam dat er niet veel van bakt. Wanneer Mike de
dementerende Leo moet vertegenwoordigen (Burt Young), ziet hij een
kans om een cent bij te verdienen: hij biedt zichzelf aan als
legale voogd van zijn cliënt, strijkt daar maandelijks zo’n 1.500
dollar voor op, en brengt de brave man vervolgens onder in een
luxe-rusthuis. Op die manier kan hij zijn financiële put langzaam
maar zeker vullen, tot plotseling Kyle (Alex Shaffer) voor de deur
staat: Leo’s kleinzoon, die is weggelopen van zijn moeder en –
uiteraard – nu bij zijn grootvader ook niet terecht kan. Mike en
zijn echtgenote Jackie (Amy Ryan) besluiten Kyle dan maar tijdelijk
in huis te nemen.

Dat is het begin van een film die zich het best
laat omschrijven met termen als “vriendelijk”. Sympathiek,
zachtaardig. Net als in ‘The Visitor’ schuwt Thomas McCarthy de
grote, melodramatische plotwendingen, om ons een overtuigend beeld
te geven van mensen die proberen om niet alleen financieel rond te
komen, maar ook simpelweg te doen wat hoort. In een andere film zou
Kyle waarschijnlijk een junkie zijn die zich eerst in de problemen
werkt met de politie, om dan aan het einde, dankzij Mike en Jackie,
een loutering te beleven van heb-ik-jou-daar. Maar niet hier. Hier
krijgen we een personage dat gewoon op zoek is naar wat rust, na
een moeilijke periode met zijn moeder – en ja, hij heeft wel wat
issues, en ja, hij geeft op een bepaald moment een andere
jongen wat al te enthousiast op zijn muil tijdens een
worstelwedstrijd, maar niets dat niet kan worden opgelost met een
afkeurende blik en een welgemeend: “Was dat nu écht nodig?” Op
dezelfde manier geeft de voogdijfraude van Mike wel degelijk
aanleiding tot een conflict aan het einde van de film, maar ook
weer niets al te dramatisch. Geen hysterische schreeuwpartijen,
geen huilbuien en uiteindelijk ook verrassend weinig
consequenties.

Al die voorspelbare intriges, al die
standaardscènes van confrontatie, crisis en loutering die je zou
verwachten in een dergelijke film zijn… nee, ze zijn niet
afwezig, het is gewoon dat ze niet worden uitgespeeld voor
melodramatisch effect. In plaats van op dezelfde knopjes te drukken
als honderd andere filmmakers, stelt McCarthy zichzelf consequent
de logische vraag: “wat zou dit personage doen in het echte leven”?
En meestal – niet altijd, maar meestal wel – volgt hij het meest
natuurlijke antwoord op die vraag. De understated toon van
de film maakt van ‘Win Win’ een soort verre neef van de films van
Alexander Payne (‘Sideways’) en Jason Reitman (‘Up in the Air’); er
heerst een gelijkaardige vibe.

Bij gebrek aan grote, explosieve dramatische
scènes, stelt McCarthy het hier, net als in ‘The Visitor’, met
milde observaties van normaal, menselijk gedrag. Kyle en Jackie die
samen naar de supermarkt gaan – het klinkt van nature niet erg
boeiend, maar het levert een aardig momentje tussen die twee
personages op. Een scène waarin Mike samen met een vriend gaat
joggen en hij een paniekaanval krijgt. En natuurlijk de
worstelscènes, waarin al Mike’s hoop en angst voor de toekomst
wordt geprojecteerd op een verliezend team. Die kleine momenten
zijn genoeg om de film meer dan onderhoudend te maken, zonder echt
te kwalificeren voor het etiket “memorabel”. Het heeft iets
verfrissends om mensen te zien die zich gedragen als mensen, in
plaats van als filmpersonages.

Tussen de bedrijven door levert McCarthy ook een
subtiele analyse van het middle class America van na de
beurscrash. ‘Win Win’ wordt bevolkt door personages die al hun hele
leven lang braafjes aan het werken zijn aan de Amerikaanse droom –
het alleenstaand huis, de kindjes, de zelfstandige job – en die nu
continu in angst moeten leven dat ze ’t allemaal gaan kwijtspelen.
Mike moet niet direct bang zijn dat hij met zijn vrouw en kind in
een kartonnen doos moet gaan wonen, maar hij dreigt wel elk moment
zijn levensstandaard te moeten verlagen. En het is niet dat hij
zo’n hebzuchtige kapitalist is, maar dammit, hij heeft ook
niet heel die tijd zijn best gedaan om weer op een appartementje te
moeten kruipen. Die zelfde angst keert terug bij zijn collega
Stephen (Jeffrey Tambor) en zijn oude vriend Terry (Bobby
Cannavale): hun zekerheden zijn weggevallen, ze leven in angst. De
komst van Kyle, die een eerste klas-worstelaar blijkt te zijn,
geeft hen weer hoop. Ze kunnen heel even hun gloriedagen
herbeleven, ze geloven er weer in. “Hoe voel je je wanneer je aan
het worstelen bent?,” vraagt Mike op een bepaald moment aan Kyle.
“Geweldig,” antwoordt die. “Ik heb de controle.” Dat gebrek aan
controle over je eigen leven, en hoe je die kan terugwinnen, is een
sterke subtekst doorheen de hele film.

Maar het is de zachtaardige mentaliteit van de
prent, samen met de acteerprestaties, die je geboeid houden.
Giamatti geeft een uitstekend gedoseerde vertolking als Mike,
terwijl Amy Ryan eindeloos sympathiek is als Jackie. Alex Shaffer
is bij momenten een tikkel te eentonig als Kyle, maar hij komt er
wel mee weg. Let ook op Melanie Lynskey (ooit nog samen met Kate
Winslet in ‘Heavenly Creatures’), in een sterke, subtiele bijrol
als Kyle’s moeder.

Subtiel, mild, sympathiek… Het zijn woorden die
telkens terugkomen, en die zowel de charme als de beperkingen van
‘Win Win’ uitmaken. Enerzijds is het een verademing om cinema te
zien die van understatement een deugd maakt. Anderzijds
zorgt het er ook voor dat je de film net iets te makkelijk van je
kunt afschudden achteraf. Maar ja, you can’t have it
all.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in