Hasta La Vista

Het begint stilaan een traditie te worden: na ‘Ben
X’ in 2007 en ‘Adem’ vorig jaar, was het opnieuw een Vlaamse prent
die op het Filmfestival van Montréal de hoofdvogel afschoot. Zou
het kunnen dat ze daar in Canada gewoon gek zijn op
dramedies over mensen met een ziekte of handicap? Of zit
er toch ergens een uitgeweken Belg in de organisatie? Niet dat we
‘Hasta La Vista’ zijn winst misgunnen. De jongste worp van Geoffrey
Enthoven, die met ‘Vidange Perdue’, ‘Meisjes’ en ‘Happy Together’
de meest beloftevolle alumnus is geworden van de “faits
divers”-reeks, is immers een trefzekere tragikomedie geworden. Oké,
hier en daar voel je wel dat de scenarist wat al te openlijk op de
traanklieren mikt met een tactisch geplaatst melo-cliché op zijn
tijd (één van de personages laten schreeuwen “Ik ga dus wel dood,
hè!” werkt altijd), maar de mix van humor en tragedie is
wel degelijk goed getroffen.

Het verhaal draait rond de drie vrienden Lars
(Gilles De Schrijver), Philippe (Robrecht Vanden Thoren) en Jozef
(Tom Audenaert). Lars is door een tumor vanaf zijn middel verlamd,
Philippe kan zelfs zijn armen niet bewegen en Jozef is zo goed als
blind. Wanneer Lars te horen krijgt dat hij niet lang meer te leven
heeft, besluiten de drie vrienden om samen nog eens te genieten: ze
huren een verzorgster met een busje in (Isabelle de Hertogh) en
trekken er op uit voor een rondrit doorheen Frankrijk en Spanje.
Eindbestemming: El Cielo, een luxebordeel op maat van
gehandicapten, waar ze van hun maagdelijkheid verlost kunnen
worden. Probleem is wel dat de ouders van Lars niet van plan zijn
om hun stervende zoon zomaar te laten vertrekken.

Verblindend origineel is dat gegeven niet. Enkele
personages die op een kritiek punt in hun leven zijn beland (en
veel kritieker wordt een levenspunt niet dan in deze film), en dan
samen een road trip ondernemen om hun demonen onder ogen
te komen en te overwinnen. In verschillende gedaantes is exact
diezelfde verhaalstructuur al duizend keer opgedoken. Blijft er wel
het feit dat die structuur zo vaak gebruikt wordt, omdat ze gewoon
inherent dramatisch krachtig is. Het is niet nieuw, maar het werkt.
De dynamiek tussen de drie hoofdpersonages is geloofwaardig en
regelmatig bijzonder geestig. De eerste overnachting van de reis,
in een weghotel in de buurt van Parijs, is een knappe komische
set piece: om niet steeds concessies te moeten maken aan
hun handicap, besluiten de drie vrienden om elk een aparte kamer te
nemen, met als gevolg dat Jozef, die als enige makkelijk over en
weer kan gaan, continu tussen de kamers moet hollen om zijn twee
maten te helpen. Conclusie: ze eindigen alle drie op de vloer van
dezelfde kamer. Die scènes (en zo zijn er best wel wat) werken: ze
zijn grappig, en wat belangrijker is, ze zijn ook herkenbaar
menselijk. Godzijdank gaat Enthoven, ondanks zijn premisse, nooit
de toer van de platte onderbroekenlol op. Er wordt zonder al te
veel nonsens gepraat over de seksuele frustraties van onze drie
helden, maar met dat alles worden ze wel in hun waardigheid gelaten
en wordt de film nooit ondergraven door platvloersheden.

Het helpt dat Enthoven en scenarist Pierre De
Clercq geen schrik hebben om Lars, Philippe en Jozef hun
onaangename kantjes mee te geven. Regelmatig komen ze venijnig uit
de hoek, als gefrustreerde eikeltjes die hun best doen om anderen
toch maar te kwetsen – als je d’office niet serieus genomen wordt
omwille van een handicap, dan zoek je namelijk andere manieren om
opgemerkt te worden. Die ambiguïteit geeft een extra dimensie aan
de personages, die verhindert dat de film een neerbuigende “kijk
eens hoe zielig ze wel zijn”-vertoning wordt. Ook de
acteerprestaties zitten goed: Gilles De Schrijver en Robrecht
Vanden Thoren zaten eerder al samen in ‘De Laatste Zomer’ (een
onterecht over het hoofd geziene film, trouwens) en zijn goed op
elkaar ingespeeld. De mix van frustratie, cynisme en daaronder toch
oprechte vriendschap voor elkaar, wordt uitstekend tot leven
gewekt. Tom Audenaert is ook goed als Jozef, maar zijn rol is er
wat al te nadrukkelijk voor geschreven om expliciet het sympathieke
sulletje te zijn. Hij zal waarschijnlijk om exact die reden een
publiekslieveling worden, maar ik vond dat hij er te berekend
tussen werd gesmeten. Mocht ‘Hasta La Vista’ een sitcom zijn
geweest, dan zou je bij zijn replieken op de lachband regelmatig
het publiek zo’n vertederd “aaaaw”-geluidje hebben horen
maken.

En dat effect krijg je wel vaker, wanneer de film
op de emoties probeert in te spelen. ‘Hasta La Vista’ drukt soms te
duidelijk op de emoknopjes. Zo is er het jongere zusje van Lars,
dat hem vlak voor zijn vertrek zijn koffer in zijn handen duwt –
het blijkt haar eigen roze koffertje te zijn. “Zo ben ik zeker dat
je aan mij denkt,” legt ze uit. Knuffel. Traantje. Begrijp me niet
verkeerd, die scène werkt wel degelijk. De helft van de zaal zal
ongetwijfeld mee een traantje laten. Maar is het niet een beetje…
tja, een beetje makkelijk? Het mooiste emotionele moment
komt er tijdens een confrontatie tussen Lars en zijn ouders. Na een
vlammende ruzie staat de vader van Lars (een knappe bijrol van
Johan Heldenbergh) uit het raam te kijken. Hij probeert niet te
huilen. Lars rolt naar hem toe en pakt zijn hand vast. Einde van de
scène. Dat simpele gebaar zegt veel meer dan alle grote huilscènes
tezamen. Enthoven en De Clercq hadden daar wat vaker op mogen
vertrouwen.

‘Hasta La Vista’ is een meer dan degelijke film
geworden, ook op technisch vlak. De fotografie zit goed, en ademt
de heerlijke warmte uit van de Provence en Spanje. Ik had het wel
kunnen stellen zonder een tweetal droomscènes met een flou
artistique,
maar tot daar aan toe. Het enige probleem van de
film, is dat hij soms te weinig durft te rekenen op subtiliteiten.
Een blik zegt soms meer dan een huilerige monoloog.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in