Conan the Barbarian

Benieuwd hoe dat nog zit met uw empathische vermogen? Welaan, we
zullen het snel weten. Beeld je in dat je een fan bent van de
betere sword-and-sorcery-film. Oké. Vraag je nu af hoe je
kinnebak er momenteel zou uitzien. Juist, ja: hartstikke blauw van
erop te kloppen. Het is de voorbije jaren namelijk genen
vetten
geweest voor adepten van het genre: als het überhaupt
al van stal werd gehaald, dan was dat voor schimmelkolonies als
‘Clash of the Titans’, ‘Prince of Persia: The Sands of Time’ en
‘Season of the Witch’. Zo zie je maar dat de mens er niet echt op
vooruit is gegaan, want in de tachtiger jaren konden we wél nog
fatsoenlijke sword and sorcersies fabriceren. ‘The
Beastmaster’, ‘Red Sonja’ en ‘Krull’ waren natuurlijk geen
meesterwerken, maar in tegenstelling tot al die recente schijterij
zijn ze nog steeds verdacht plezant om naar te kijken. En in 1982
leverden John Milius en The Austrian Oak met ‘Conan the
Barbarian’ zelfs een vette cult hit af. Op zich geen kwaad
idee, dus, om die saga nog eens nieuw leven in te blazen. En zie:
het heeft warempel een film opgeleverd die, zonder zwans, quite
watcheable
is.

Jason Momoa – yup, die exotische gozer uit ‘Baywatch’ –
speelt Conan, een Cimmeriaanse vechtjas. De knul is amper een jaar
of twaalf wanneer zijn vader (Ron Perlman) vermoord wordt door ene
Khalar Zym (Stephen Lang). Op zich een geestige scène, maar Conan
ziet er de humor niet van in: hij traint zich jarenlang de pleuris
en gaat dan samen met zijn ontblote torso verhaal halen bij Zym.
Die is intussen alleenheerser geworden over het continent Hyboria
en probeert en passant zijn overleden vrouw terug tot
leven te wekken. Dat moet gebeuren met behulp van zijn paranormale
dochter Marique (Rose McGowan), een mythisch masker en het bloed
van Tamara (Rachel Nichols), een deerne die geheel toevallig ook de
love interest van Conan is. Reden temeer dus voor die
laatste om de venijnige Zym met behulp van een smeedijzeren zwaard
tot brunoise te versnijden.

’t Is een plot die met beide poten in alle vallen van de modale
S&S-film trapt: een lange en weinig originele
backstory, niets dan eendimensionale personages en een
klets kitscherige emoties die nog harder opgepompt zijn dan de
gynecomastiae van beefcake Momoa. De uitgesponnen premisse
motiveert al wat de barbaar in de rest van de film doet – vake
wreken – en van dat rechtlijnige pad wordt nergens afgeweken.
Narratief gezien is elke scène tussen proloog en grand
finale
dus eigenlijk overbodig, iets wat zelfs in de meest
gestileerde langspeler vroeg of laat wel moet gaan storen. Om het
met een boutade te zeggen: de twaalvendertigste vechtscène
definitely puts the bore back in Hyboria.

En toch een vijf op tien! Dat heeft de film vooral te danken aan
het feit dat hij weet wat ie waard is en op geen enkel moment aan
grootheidswaan lijdt: het hele ding is net tongue-in-cheek
genoeg om zichzelf te relativeren en tegelijk nergens zo
campy dat het belachelijk wordt. Bovendien zet regisseur
Marcus Nispel, die dit genre al eens besnuffelde in ‘Pathfinder’,
zijn poot onder een handvol epische shots. Vooral de vergezichten
zijn redelijk kunstig – een zweem Caspar David Friedrich, als je ‘t
mij vraagt – en bij momenten zelfs poëtisch. Visueel valt er dus
wel iets te rapen en er worden nu en dan ook knappe dingen gedaan
met de derde dimensie. De openingssequentie combineert 3D
bijvoorbeeld met klassieke stijlgrepen als trage zooms,
snelle pans en gerackte focuses, wat zowaar vijf
minuten eye candy oplevert. Het is natuurlijk niet al pais
en vree: tijdens de snelle actiescènes zorgen de goggles
naar goede gewoonte weer voor wazige beelden, pijnlijke oogballen
en een bonkende hersenpan.

Voor het overige staan de meeste acteurs behoorlijk te spelen.
Momoa is een geloofwaardige Conan, al zegt dat minder over zijn
acteertalent dan over zijn indrukwekkend gabarit. Naar het schijnt
heeft de man ter voorbereiding van de film elke week zesenvijftig
kipfilets naar binnen gestouwd en geloof mij: it shows.
Stephen Lang van zijn kant is een pak minder als schobbejak Khalar
Zym, maar dat wordt dan weer ruimschoots gecompenseerd door Rose
McGowan. Dat kind is ronduit angstaanjagend als de wenkbrauwloze
Marique, die er overigens een wel erg, euhm, onconventionele
relatie met haar vader op na houdt. McGowan zou trouwens ook de
hoofdrol vertolken in Robert Rodriguez’ remake van ‘Red Sonja’,
maar dat project lijkt voorlopig op de lange baan geschoven. Het
enige échte wak in ‘Conan the Barbarian’ is Rachel Nichols, die
vooral irritant staat te wezen. Maar soit, het valt te begrijpen
dat caveman Conan wel eens over die Tamara wil gaan, en
dat is eigenlijk al wat hier van tel is.

Natuurlijk is ‘Conan the Barbarian’ verre van perfect: de plot
is hemeltergende hol, de personages zijn schrikbarend eenzijdig en
Nispel heeft het gros van de zwaardgevechten wel erg warrig in
beeld gebracht. De film pretendeert echter niet meer te zijn dan
een brok protserig vertier en dat maakt ‘m ondanks al zijn gebreken
erg sympathiek. Een quote uit het vehikel vat het eigenlijk prima
samen – wanneer Tamara bij Conan peilt naar zijn bestaansreden,
antwoordt die schokschouderend: “I live, I love, I slay. I am
content”. En als Conan content is, dan ik ook! En u kunt maar beter
ook niet te veel mekkeren: die bicepsen al eens fatsoenlijk
bekeken?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in