DOSSIER BRITPOP: ”Don’t Look Back In Anger” :: een requiem voor Britpop

Voor wie toen opgroeide en het van dichtbij meemaakte, was het Britpop-tijdperk waarschijnlijk even opwindend als de swinging sixties, de punk en Madchester. Maar met steeds meer one hit wonders die niet eens aan een halve hit toekwamen en voormalige sterkhouders die vaandelvlucht pleegden, bleef er niemand over om de erfenis te verdedigen en stond het criticasters vrij om die erfenis onbestraft te besmeuren. Met de recente reünies van Blur, Suede en Pulp en de lofbetuigingen van pakweg The Pains Of Being Pure At Heart en Smith Westerns lijkt er een en ander te worden rechtgezet.

Amper vijf jaar nadat het feestgedruis in Manchester verstomde, was ook het feestje in Camden plots afgelopen. Als epicentrum van de Britpopbeweging was de hippe Londense buurt de plaats bij uitstek waar doodgewone stervelingen konden verbroederen met de sterren van het moment. Maar als Britpop een feestje was, dan waren de feestvierders van uiteenlopend pluimage: Blur leunde stevig op ironie en The Kinks; Suede combineerde het dramatische van Bowie met de melodieën van The Smiths; Oasis maakte iedereen van The Beatles en de Stones tot en met T-Rex en Bowie minstens één riff lichter, maar deed dat wel met de bravoure van The Sex Pistols; Elastica liet de jaren zestig volledig links liggen en zorgden in hun eentje voor een new wave of new wave. De nieuwe generatie plunderde naar hartenlust de platenkast van mama en papa en schaamde zich er niet voor om daar voor uit te komen.

In het zog van de vele nieuwkomers waren er ook oudgedienden die eindelijk of opnieuw hun kans kregen: Pulp snakte al sinds eind jaren zeventig naar het succes, maar had nu pas de tijdsgeest — en het songmateriaal — mee; Paul Weller had — na een decennium lang met The Style Council synthesizers, soul en jazz te hebben omarmd — de gitaar opnieuw opgenomen. Zijn protegés Ocean Colour Scene zorgden voor een kleine mod-revival en Kula Shaker recycleerden de stukjes van The Beatles die Oasis links had laten liggen: India, meditatie en wierook.

Daarnaast waren er ook nog een hele resem bands die het veel simpeler zagen en uitpakten met complexloze, catchy gitaarpop ontdaan van elk Amerikanisme — of het moest The Byrds zijn. Cast, Dodgy, Lush, Echobelly, The Bluetones, The Boo Radleys, Mansun… Misschien kon niet iedereen een hele plaat boeien, maar alles samen maakten ze wel dat er voortdurend een zweem van opwinding in de lucht hing.

Vaandelvlucht

Elk feestje heeft echter zijn ongenodigde gasten die en masse opduiken zodra er geen inkom meer moet worden betaald en de andere gasten buitenwerken door de sfeer te verzieken. Bij Britpop was dat niet anders. Eind ’96, begin ’97 beseften veel gasten dat je best op het hoogtepunt van een feestje vertrekt.

De eerste om de deur achter zich dicht te trekken, was Suede. De groep was er als eerste in geslaagd om de aandacht opnieuw op de Britse eilanden te vestigen. Maar toen iedereen hen in de dwangbuis van neo-glamrock wilde dwingen, koos Suede voor een radicale koerswijziging. Haalden hun tijdsgenoten de inspiratie hoofdzakelijk uit de jaren zestig, dan wilde Bernard Butler voor Dog Man Star (1994) de kille claustrofobie van Closer van Joy Division laten doorsijpelen en verdiepte Brett Anderson zich in het werk van Scott Walker. In zijn teksten schetste hij een grimmig Orwelliaans Groot-Brittannië: “Well the church bells are calling, police cars on fire / And as they call you to the eye of the storm, all the people say: “Stay at home tonight”.” Andersons Albion strookte duidelijk niet met het ideaalbeeld van Cool Brittania dat door de media in het leven werd geroepen om grotere oplages te kunnen verkopen.

Als Cool Brittania een mediaverzinsel was dat verweven raakte met het streven van Tony Blair en New Labour om het bewind van de conservatieve partij te breken, dan was Britpop dat allerminst. “Britpop was 100% Damon Albarn’s idee”, aldus Blur-bassist Alex James. Als antwoord op de vergrunge-ing van de Britse muziek stak Albarn de songs op Modern Life Is Rubbish en Parklife tsjokvol Englishness en ironie. Maar de dijkbreuk die de platen
veroorzaakten zou Blur ei zo na verzwelgen. In zijn tomeloze streven naar succes was Albarn tegen wil en dank de posterboy van Britpop geworden en werd elke stap die hij zette gevolgd door de paparazzi. Dus toen Graham Coxon in een brief duidelijk maakte dat hij Blur opnieuw gevaarlijk en Amerikaanser wilde laten klinken, greep Albarn de ontsnappingsroute die hem werd aangeboden met beide handen aan. Weg van Britpop en weg van de paparazzi. Blur en 13 werden een genadeloze afrekening met Britpop.

Niet alleen de paparazzi, maar ook Oasis had Albarn en co buiten gepest op hun eigen feestje. Oasis veranderde de inzet van het spel. De vijf working class lads uit Manchester hadden de lak aan bespiegelingen over de teloorgang van de Britse identiteit. Hun Groot-Brittannië was dat van lange avonden in de pub, met een pint of lager in de lucht en een half uitgedoofde sigaret in de mondhoek anthems meebrullend als werd de overwinning van hun voetbalploeg gevierd. Niet verwonderlijk dus dat de groep na (What’s The Story?) Morning Glory voetbalstadion na voetbalstadion uitverkocht en toen dat niet voldoende bleek, ook nog tweemaal het gigantische Knebworth Park liet vollopen.

In het spoor van Oasis schoten nieuwe bands als paddenstoelen uit de grond die net zoals Oasis geen voeling hadden met de diepzinnigheden en subtiliteiten die de grondleggers van Britpop wel aan de dag hadden gelegd. Voor hen was Britpop een genre waarbij je popsongs bracht met een dik overdreven Brits accent, liefst voorzien van een gestileerd imago en een gitaar met daarop een union jack. Hits scoren leek nu een doel op zich te zijn geworden. De strijd om de nummer 1 tussen “Roll With It” van Oasis en “Country House” van Blur was wat dat betreft een kantelpunt en daarmee ging Britpop een tweede, commerciëlere fase in. Nu de verkoopcijfers primeerden gleed Britpop steeds verder af van wat het in oorsprong had moeten worden: geweldige songs schrijven die geen platvloerse kopieën waren van het Amerikaanse origineel. Een plaat in de top tien doen belanden was gewoon een fijne bonus.

Geheel conform hun grote mond was Oasis zich van geen kwaad bewust. Be Here Now moest het kroonjuweel van het Britpop-tijdperk worden, maar maakte slechts een fletse plof en zo werd Britpop ongeveer gelijktijdig met prinses Diana ten grave gedragen. Niet dat de rouwstoet veel zielen telde. Hooguit wat A&R-mensen van platenfirma’s die hun goudmijn zagen instorten. Of zoals Brett Anderson het achteraf samenvatte: “Like anything that’s exciting, it gets commercialized. It happened to every single movement, from hippy to punk, to acid house and to indie. All of a sudden people in boardrooms see that kids are buying records and move in on that territory and sanitize it and commercialize it and take its soul away.”

Nasleep

Als merknaam was Britpop dan aangebrand, indie zou nooit meer zijn wat het ooit was geweest. Oasis had legioenen lads wakker gemaakt en die wilden ook iets anders kunnen meebrullen dan “Cigarettes & Alcohol” en “Wonderwall”. De triomfalistische toon van “A Design For Life” en “Everything Must Go” van Manic Street Preachers bleek gesneden koek voor hen. Dat ze het punt mistten en niet door hadden dat de Manics het hadden over de elegante tragiek van de working class en het nemen van een nieuwe start na het verlies van een jeugdvriend maakte geen verschil: de comeback van Manic Street Preachers was goed voor een miljoenenoplage.

Ook andere platen die in het verleden waarschijnlijk pas na jarenlang in de obscuriteit te zijn verdwenen hooguit een cultstatus zouden hebben verworven, werden instant klassiekers en verkoopsuccessen: Ladies And Gentlemen We’re Floating In Space van Spiritualized, OK Computer van Radiohead, Urban Hymns van The Verve… Platen die mijlenver afstonden van de mainstream-rock van de Bryan Adamsen en Bon Jovi’s van deze wereld en duidelijk geen Britpop waren — al werd er nog wel een geforceerde poging ondernomen om de term Britrock te lanceren, zonder succes gelukkig — vonden gehoor bij een breed publiek, niet zelden geholpen door MTV. Ongewone singles en dito video’s zoals “Paranoid Android” en “Bitter Sweet Symphony” werden uur na uur gedraaid en zelfs de eerste solo-single van iemand als Bernard Butler, ex-gitarist van Suede, belandde in de vaste roulatie op een zender die tegenwoordig enkel nog video’s draait als er ‘hoe’s’ en ‘bitches’ of Justin Biebers en Lady Gaga’s in voorkomen.

Ondanks de verwezenlijkingen van Britpop zou er een terugslag volgen. Dat was op zich niet uitzonderlijk. Elke beweging van de vorige dertig jaar — van rock-’n-roll tot hippie en van punk tot grunge — had eenzelfde traject afgelegd: vernieuwend in de marge, doorbreken naar de mainstream en commercialisering. Elke beweging roept ook onvermijdelijk zijn tegenbeweging op waarbij komaf gemaakt wordt met wat vooraf ging, maar de geschiedenis scheidt het kaf van het koren. De Groten uit een tijdperk komen altijd bovendrijven en de one hit wonders worden geapprecieerd voor wat ze waren, gelukzakken die een geniale flits uit hun mouw wisten te schudden. Meestal is het de nieuwe meute jonge honden die daarbij helpt door hun grote voorbeelden aan te wijzen waarmee zij zijn opgegroeid en waarvan ze het métier geleerd hebben.

Dat de geschiedenis voor het Britpop-tijdperk minder genade lijkt te kennen is dan ook deels de schuld van de gitaarbands van de noughties. Een bekentenis dat ze Oasis eigenlijk echt wel geweldig vonden kon er nog net van af, maar verder had niemand een goed woord over voor Britpop. Nochtans pleegden ze net zoals hun voorgangers volop roofbouw op de Britse popgeschiedenis. The Libertines leerden alles wat ze kenden van The Clash, Franz Ferdinand liet zich al even nadrukkelijk inspireren door Orange Juice als Oasis destijds door The Beatles, David Bowie en T-Rex; en zouden de Kaiser Chiefs zo hard uit de toon zijn gevallen op een festivalweide tussen Cast, Supergrass en ander voetvolk van de Britpop?

Aangezien de jonge garde er zijn neus voor optrok, was het aan de vaandeldragers van toen om hun erfenis te verdedigen. Niet Oasis echter. Die hielden het in 2009 voor bekeken. Ironisch genoeg net toen hun aartsrivalen van Blur triomfantelijke reünieconcerten hielden. Blur liet er echter geen twijfel over bestaan dat ze daarmee op de eerste plaats de oude vriendschapsbanden wilden herstellen en hun eigen erfenis vrijwaren. Ook Suede ging met een best of en enkele vlammende concerten op zoek naar eerherstel.

Samen tekenden Suede, Blur en Pulp met Dog Man Star, Blur en This Is Hardcore voor de trilogie die het lot van Britpop bezegelde en hun houding tegenover het Britpop-label is nog altijd even ambigu als toen: trots dat ze erin geslaagd waren om de tijdsgeest aan te boren, maar niet op wat er na hen volgde. Deze reünies zijn dus duidelijk voor rekening van eigen eer en glorie en niet die van Britpop. Maar hoe dan ook stralen de reünies onvermijdelijk af op Britpop omdat ze er aan herinneren dat Britpop in oorsprong draaide rond bands die echt een verschil maakten voordat de media en platenfirma’s het reduceerden tot een karikatuur van zichzelf.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in