John Gray :: Het onsterfelijkheidscomité

Na Darwin hebben animisme en religie afgedaan maar de homo sapiens volhardt, niet in staat de consequenties van het darwinisme te aanvaarden in zijn revolte tegen de Man met de Zeis. Politiek filosoof John Gray zet wederom met een literaire mokerslag de mens als de grootsprakerige en onbetrouwbare stuntel die hij is, te kijk.

De menselijke primaat blijft naar een zin en een Groter Plan hunkeren en wil zelfs de afschaffing van de dood najagen door een irrationeel vertrouwen in wetenschap maar het darwinisme maakt het onverbloemd duidelijk: na de dood wacht elkeen, net als ieder ander dier, de totale vergetelheid. En als soort is de mens — wellicht eerder dan gedacht en dan nog door eigen toedoen — op een eindige planeet in een betekenisloos en totaal onverschillig heelal al evenmin een lang leven beschoren: ooit sterft de menselijke soort onherroepelijk uit.

Gray toont met twee voorbeelden van eind 19de/begin 20ste eeuw aan hoe deze ondragelijke gedachte werd bestreden: in Groot-Brittannië vorsten de zogenaamde ’psychische onderzoekers’ naar wetenschappelijke bewijzen van een voortbestaan na de dood, in revolutionair Rusland togen bijna tegelijkertijd de ’Godbouwers’, leden van een seculiere mysteriecultus, aan het werk. Ze zochten, hoe verschillend de omstandigheden in hun maatschappijen ook waren, wanhopig naar een overwinning op de dood, dit alles in een cocktail van wetenschap en occultisme. De wetenschap als voertuig voor magie, aldus de Britse denker.

In het kraakheldere voorwoord stippelt Gray, opnieuw scherpzinnig elk vooruitgangsdenken ontmantelend, de grote lijnen van zijn betoog uit maar daarna duurt het even eer het boek soepel op gang komt. Nuchter maar genadeloos wijst de Britse polemist op fouten van de Britse intellectuelen en de bolsjewieken of laat hij zijn kritisch licht schijnen over het Onsterfelijkheidscomité van revolutionair Leonid Krasin, dat poogde op een nogal klungelige manier het gebalsemde lijk van Lenin in een kubistisch mausoleum te conserveren om het later — wanneer de technologie het zou toelaten — te doen herrijzen.

In deel één wijkt Frederic Myers af van Britse hardcore materialisten als George Eliot en Thomas Huxley (Darwins buldog) en wordt hij mede-oprichter van de Society for Psychical Research (SPR), een centrum dat beoogde paranormale verschijnselen op ’onbevooroordeelde en wetenschappelijke wijze’ te onderzoeken. Wat volgt is het verslag van de victoriaanse en edwardiaanse crème de la crème, die poogde bewijzen van onsterfelijkheid te vinden door via automatisch schrift (kruiscorrespondenties) in contact met overledenen te treden. Boeiend is daarbij ook de geschiedenis van het ’geest-kind’ Henry Coombe-Tennant, dat de nieuwe Messias moest worden (en uiteraard faalde). Econoom en ethicus Henry Sidgwick, een van de voorzitters van de SPR, verwoordde het op het eind van zijn leven als volgt: "Als ik op mijn leven terugkijk, komt het me voor dat ik bijna alleen verspilde uren zie".

Daar waar de probeersels van de Britse spiritualisten aandoenlijk en vrij onschadelijk waren, krijgt de lezer in deel twee de gruwel van sovjetfantasten en massamoordenaars opgelepeld. De link van de Britten wordt gelegd via SF-schrijver H.G. Wells en diens toekomstvisie en het fascinerende relaas van zijn verhouding met Moura Budberg, de levensgezellin van Maksim Gorki. Het is een verhaal van spionage, verraad en stalinistische waanzin ten tijde van een genadeloos sovjetregime met rampzalige landbouwcollectivaties, showprocessen, massa-executies, etnische zuiveringen, pogroms, hongersnood, dwangarbeid en foltering. Een kroniek van paranoia, leugens en geschiedvervalsing waar een mensenleven van geen enkele tel meer was en waar morele bezwaren — met experimenten op mensen als toppunt — ter zijde werden geschoven. Survival of the fittest in uitvoering.

Dit is niet de beste Gray: deel één valt wat tegen, is iets te uitgesponnen en wat taaier dan het uiterst donkere tweede deel van het boek. In het derde deel ("Zoete Sterfelijkheid") gaat Gray verder in op des mensen absurde en obsessieve queeste naar onsterfelijkheid: zo behandelt hij hedendaagse wetenschappelijke hybris zoals cryogene suspensie, caloriearme diëten of het optimisme van Ray Kurzweil. Daarbij verliest het mensdom vaak uit het oog dat, zelfs al wordt de Knekelman overwonnen, maatschappijen zelf door ecologische rampen, de mensenexpansie (Gray sprak eerder al over de mensenplaag of homo rapiens), economische crises of oorlog ten onder zullen gaan. De aarde zelf zal zich moeiteloos herstellen nadat de mens er voor eens en altijd is verdwenen.

Gray graaft diep, vertelt meeslepend over kleurrijke figuren als de spion Bruce Lockhart en merkt op dat het verlangen naar contact met Gene Zijde soms allerpersoonlijkst is: afgebroken liefdesgeschiedenissen of onverwerkt verlies van dierbaren waren vaak het motief. Een nieuwe Gray biedt — bijvoorbeeld met de harde woorden aan het adres van het rationalisme en hedendaagse militante atheïsten — zoals steeds stof voor discussie.
De pessimistische filosoof neemt een iets te lange aanloop en sommige zaken lijken er met de haren bij gesleurd, maar met onverholen ironie en sarcasme schrijft Gray opnieuw een anti-utopisch boek met pekzwarte maar briljante inzichten en conclusies.

Beeldenstormer Gray bewandelt de hem vertrouwde paden en laat graag optekenen niet aan Prozac-filosofie te doen: elke hoop om de menselijke natuur te verbeteren en aan een chaotische wereld te ontsnappen, wordt aan diggelen geslagen. Hij weet echter paradoxaal genoeg dat de zwartgalligste uitspraken ook de grootste troost bieden. Tijd om even een andere pessimist, Blaise Pascal, te citeren: "De grootsheid van de mens komt voort uit het feit dat hij zijn erbarmelijke situatie erkent." John Gray is alweer in zijn missie geslaagd: het menselijke dier met beide voetjes op de grond zetten.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in