Flying Horseman :: Wild Eyes

Open brief aan Bert Dockx

Beste Bert

Wij kennen elkaar niet. Of beter gezegd: ik zou u herkennen op straat, maar gij mij niet, want we hebben elkaar nooit gesproken. Ik heb u aan ’t werk gezien met Dans Dans, uw trio met Lyenn en Steven Cassiers, toen ge met Marshall Allen, James Harrar en Eric Thielemans mocht spelen in de schaduw van die vervloekte IJzertoren, in de 4AD. Ge liet er horen hoe de valse muren tussen hoekige rock, free jazz en forse improvisatie gesloopt kunnen worden met een gemak dat ik zelden zag bij Belgische bands. Ge liet horen dat de kwestie van binnen de lijntjes kleuren niet ter zake doet. Ge kunt die lijnen ook negeren. Ik heb u achteraf nog een link bezorgd naar mijn verslag en toen liet ge weten dat ge die avond zo ziek als nen hond waart, ge sprak van een wazige podiumervaring. Ik zat niet dicht genoeg om u te zien snotteren, maar ik kan u garanderen dat dat concert een belevenis was. Ziek of niet. Er was weinig volk. Uw vrienden waren u misschien niet gevolgd. De mijne wisten van niks.

Uwe CD met Flying Horseman is een paar weken geleden pas bij mij terechtgekomen. Onze website ontvangt jaarlijks honderden promo-albums. Voor sommige ervan is ’t vechten, voor andere wordt meteen die gepaste recensent gevonden. Die van u kwam helaas onopgemerkt terecht in den hoop, de stapel die aan het einde van het jaar naar de archieven verhuist. Soms is dat terecht, soms niet. En dan komen we wat later af, gewapend met excuses en goeie raad. Zo ook nu. Wild Eyes is al van einde 2010, maar veel te goed om stof te vergaren in een versleten kartonnen doos. Dat heb ik de voorbij week mogen ondervinden tijdens de nachtelijke ritten. Soms hebt ge van die periodes dat ge constant de baan op zijt — naar concerten vooral — en dan lijken de kilometers korter als de muziek goed is.

Wild Eyes deed elke keer opnieuw de temperatuur zakken met een graad of tien, versterkte de vreemde effecten die altijd ’s nachts plaats vinden, als auto’s veranderen in twee simultaan bewegende, rode lichten, huizenrijen transformeren in spookachtige contouren en kleur oplost in gegalvaniseerde ijzertinten. De gedachten krijgen dan de vrije loop, ze kunnen dan voort denderen gelijk een goederentrein, uw sensoren tilt doen slaan, ge kent dat wel. Dat komt natuurlijk door de hypnotiserende sound, die ingehouden bonkende drums, die voorzichtige inkleuring en uw gitaarspel met die meanderende stukken en zeldzame razernijen, die lijken te ontstaan in een zone tot waar het daglicht niet reiken kan. En uw halfgesproken zang, die laat horen dat ge aan introspectie doet, maar het zelfbeklag achterwege laat. Dat ge droomt, maar uw fantasie niet op hol laat slaan. Ge maakt muziek van en voor de nacht.

Ik las ergens dat ge Wyatt, Bacon, Van Zandt, Hollis, Van Hove en Sun Ra tot uw helden rekent. Dat verwondert mij niks. Ge gaat waarschijnlijk ook muziek in huis hebben die ge voor uwzelf houdt, omdat die het best functioneert in isolement. Of misschien hebt ge wel iemand waar ge alles mee kunt delen, inclusief de gedachten en muziek waar ge liever geen woorden aan verspilt. Ik hoop het voor u. Ge verstaat de kunst om uwen eigen weg te vinden. Een eclecticus pronkt graag met z’n invloeden. Een echte artiest die de dingen in zich opneemt, die verwerkt die tot een eigen sound, en die hebt ge op Wild Eyes gevonden. Het geduld waarmee ge “Bitter Storm” laat ontplooien dwingt respect af, net zoals ge uw meesterschap op de gitaar duidelijk maakt in “Beats”. Ge klinkt als ne mens die al goesting heeft gehad om “Stranger Than Kindness” te spelen. Het zou u alleszins liggen, uw schimmige middernachtsblues doet me daar vaak aan denken.

Alfredo Bravo, Milan Warmoeskerken, Laurens Duerinck, Loesje en Martha Maieu zijn uw kompanen. Ik ken ze niet, maar de manier waarop ze uw songs extra inkleden; met die dromerige toetsen van “Climb Up The Wall”, de stompende drums van “Landmark/Lament”, die gefluisterde backing vocals, enz…. die mensen hebben begrepen waar ge naartoe wilt. Dat moet een goed gevoel zijn. En als ge u dan ne keer laat gaan, zoals in “Meditation Blues” of “There Lives A House” (Jeffrey Lee Pierce zou het te gek vinden), dan krijgt dat iets van een voodooritueel, met gevaar en zweet en slechte bedoelingen in de lucht, enkel nog onder controle gehouden door een amper intact gebleven zelfbeheersing, uit eigenbehoud. Uw aangehouden grip op onderhuidse dreiging is straf, net zoals de manier waarop ge van uw titelnummer een visueel kortverhaal van epische proporties hebt gemaakt.

Ik had u gerust nog meer kunnen vertellen. Ik had u kunnen zeggen dat ik u eerst heb zitten verwensen, omdat ge die verdomde kutgitaar niet wat vaker hebt laten janken en gieren, zo hard dat m’n kiezen ervan zouden gaan jeuken en de voegen van tussen de vloertegels zouden vluchten; ik had u ook kunnen zeggen dat ik een paar avonden geleden anderhalf uur heb zitten luisteren naar “Feather” in de hoop dat het de ketens van zich ging afwerpen en gewoon zou blijven verder lopen, zodat ik meerdere keren die machtige zinnen “How could it be much better / How could it be much worse / Your mind is like a feather / And your body is a curse” zou kunnen horen, maar daar hebt ge misschien ook niks aan.

Bert, ge hebt samen met uw vrienden (bezorg ook hen mijn gemeende appreciatie) een plaat gemaakt zoals we er hier, of elders, zelden te horen krijgen. Ge zijt gene charlatan die we morgen vergeten zijn. Ge hebt geen Dries Van Noten nodig om uzelf te zijn. Ge zijt niet gemaakt om tot een act uit te groeien. Met uwe muziek kan ik verder, kom ik de nacht door als mijn geest en lichaam niet mee willen en er niet veel anders op zit dan verdwaasd voor mij uit staren en luisteren naar muziek. Maar ge moet u daar niet slecht bij voelen, want die ene glimlach spreekt voor het hele lichaam én de hongerige geest en is krachtiger dan de bulderdrang van de ordinaire eendagsvlegels. Bedankt daarvoor hé man.

Groeten

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in