Paul Van Gysegem Sextet :: Aorta

Dat free jazz en vrije improvisatie altijd een gemarginaliseerde positie zullen innemen, is iets waar de meeste betrokkenen zich vermoedelijk bij hebben neergelegd. Het hoeft echter niet te betekenen dat er zich nu en dan geen verrassingen kunnen voordoen. Met deze eerste cd-release van Aorta wordt een Belgische avant-gardeplaat afgestoft die, ruim veertig jaar (!) na de oorspronkelijke opnames, best z’n mannetje kan staan tussen het buitenlandse geweld van die periode.

Dat er in België ook een en ander gebeurde op het vlak van experimentele muziek wordt in de klassieke overzichten nogal eens over het hoofd gezien. Nochtans leefde de ketelmuziek ook hier in de late jaren zestig en vroege jaren zeventig, en dan vooral in het Gentse, met verscheidene clubs, een populair festival in het Gravensteen en kunstenaarscollectieven die het experiment omarmden. Zoals trompettist Patrick De Groote het destijds verwoordde: “De kwaliteit staat op een even hoog niveau als de buitenlandse, alleen is er geen kwantiteit.” Misschien is dat ook waarom die Belgische scene nogal eens over het hoofd wordt gezien, zeker als ze naast de Duitse of Britse wordt gezet. Of de Nederlandse, die met volk als Breuker, Bennink en Mengelberg ook een paar internationale kleppers in huis had.

Aorta is een boeiend document dat laat horen dat er ook in deze contreien een en ander te beleven viel. Bassist Van Gysegem, die tegenwoordig vooral bekend is als schilder/beeldend kunstenaar, was al enkele jaren bezig met het verkennen van een nieuwe muzikale taal, aangewakkerd door de Amerikaanse avant-garde (Cecil Taylor, Steve Lacy, etc.), waarvan er rond 1969 heel wat sleutelfiguren overwaaiden naar Europa. Zo kwamen o.m. The Art Ensemble Of Chicago, Alan Silva, Sunny Murray en Don Cherry in Parijs terecht en van daar was een snelle overstap naar Gent of Antwerpen zo gebeurd. Geïnspireerd door de steeds baldadiger wordende experimenten van de tweede en derde generatie freejazzmuzikanten, verzamelde Van Gysegem een stel jongelingen rond zich die bereid waren om mee in het diepe te springen.

Naast de bassist waren er nog drie Belgen — Patrick de Groote, tenorsaxofonist Nolle Neels en vibrafonist Ronald Lecourt — en twee Nederlanders die snel daarna grote sier zouden maken: pianist Jasper Van ’t Hof (die hier debuteert) en percussionist Pierre Courbois. De aanpak is die van de nerveuze improvisatie. Opener “Nummer 86 is een kerrygerecht” (onbegrijpelijk dat er nooit een roman naar vernoemd werd) start vanuit een gestreken baspartij en brengt een spel van ongebruikelijke klanken op gang, met schurende cimbalen en een klaterende piano die een hectische sparring uitvoert met de vibrafoon. Het is plagerige muziek vol plotse wendingen, abrupte ritmische accenten en occasionele uitvallen van de blazers.

Ook geslaagd is “Voor Anouk”, waarin De Groote een duidelijke Don Cherry-invloed laat horen en saxofonist Neels z’n ongepolijste stijl in het strijdtoneel gooit. Als je ‘m zo bezig hoort, met z’n rauwe onderbuikgevoel en grove intervallen, dan kan je je zo voorstellen dat de jonge Mats Gustafsson dit geweldig zou hebben gevonden. Om nog te zwijgen van het uitmuntende drumwerk van Courbois. Door de onaflatende ritmische puls en het bluesy geschreeuw neigt dit veel sterker naar de Amerikaanse free jazz dan de Europese improvisatie, al vindt het album als geheel een mooi evenwicht. Zo ook in het duizelingwekkende “Frans en zijn muze”, de soundtrack bij een uit de hand gelopen koortsdroom.

Het beste wordt echter bewaard voor ’t laatst, met een lange improvisatie die enkele maanden eerder werd opgenomen in de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten. “Aorta” is een ongedurig stuk rumoer, drijvend op gecamoufleerde swing, opgejut door het heen-en-weer-gedialogeer van Neels en De Groote en ook hervallend in hortende en stotende improvisatie waarbij de donderende uithalen van Van ’t Hof worden gecounterd door de tingeltangels van Lecourt. Het laat met andere woorden het hele gamma horen tussen open improvisatie waarbij steeds nieuwe onderlinge relaties opduiken en opgejutte free jazz met potige, individuele uithalen en collectieve intensiteit. Hoewel dit soort muziek in 1971 niet meer ongewoon was, blijft het toch opmerkelijk hoe bedreven en gedreven de zes van leer trekken, hoe ze allemaal meewerken aan de rode draad waar je als luisteraar naar op zoek bent.

Kortom: we hebben als avant-gardeliefhebbers wel allemaal de mond vol van dat legendarische Brötzmann Octet van Machine Gun en van collectieven als het Spontaneous Music Ensemble en Globe Unity Orchestra, en hoewel die namen misschien een nog groter (pioniers-)belang hebben voor de Europese avant-garde, laat het Paul van Gysegem Sextet op Aorta horen dat er ook bij ons knallers van formaat rondliepen. Dit is dus niet enkel een herwaardering van een historisch belangrijk document, maar tevens het terecht oprakelen van een straffe plaat, met 40 minuten die 40 jaar later nog steeds overtuigend klinken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in