Chapel Club :: Palace

Bands die origineel uit de hoek komen, zijn zeldzaam, dus moeten we ons tevreden stellen met een nagenoeg perfect herkauwen van het verleden. Chapel Club mengt een vleugje Joy Division, The Cure en The Smiths en geeft het geheel met scheurende riffs en aanstekelijke refreinen dat tikkeltje meer waardoor het net geen pure rip-off wordt. Palace komt verschroeiend uit de startblokken, maar verliest aan het eind van de rit greep op de luisteraar.

Een jaar geleden stond Chapel Club voor het eerst op een Belgische bühne in de Witloofbar van de Botanique. Een kleine vijftigtal aanwezigen waren toen getuige van de aardige set die het vijftal neerzette, maar er hing vooral een opmerkelijke sfeer in de lucht. Hoewel de Londenaars in de eerste plaats rommelig en even ongeïnspireerd als White Lies klonken, straalden ze wel een veelbelovende flair uit. Op de grens tussen stoer en nonchalant en met een frontman wiens zang zo breekbaar klonk als een versleten kerkraam. Het was balanceren tussen extreem zwakke en even sterke punten, want Chapel Club bewees toen al dat het met “White Knight Position” en “After The Flood” over potentiële radiohits beschikt. Denk aan de pathos van Glasvegas met de efficiëntie van Editors’ The Back Room.

De band is dan ook niet blijven stilzitten. Frontman Lewis Bowman ontpopte zich de afgelopen maanden mondjesmaat tot een sterke zanger en de band bouwde stilaan een sterke live reputatie op. NME en Q katapulteerden Chapel Club tot de reïncarnatie van Joy Division, met uitverkochte zalen en een horde fans als gevolg. Die commotie rond de Britten blijkt nu terecht. Palace is de plaat die White Lies met Ritual niet kon maken, maar vooral het visitekaartje van een band die veel meer weet te doen met de eighties revival.

Hoe langer we naar Palace luisteren, hoe meer referenties opduiken. Er is dan wel de kille sfeer van Joy Division, plots mengen de gitaarriffs van Interpol zich in de debatten en het bevreemde dat The Horrors zo typeert zoemt als een mug doorheen het album. “Depths” sleurt ons met zijn machinale geluiden al snel binnen in het donker imperium van Chapel Club en in “Surfacing” trekt de band de registers een eerste maal open met snedige refreinen. De groep flirt voortdurend met een stadiongeluid, maar de obscure wereld waarin Palace zich bevindt, belet dat we helemaal verdrinken in de bombast.

Met “White Knight Position” wordt de gaspedaal een tweede maal ingedrukt. De ratelende gitaarriffs stuwen het tempo de lucht in en Bowman’s zoete stem — een kopie van die van Morrissey — ligt in het oor als een bolletje smeltend vanille-ijs. Chapel Club haalt fors uit, tot het net op tijd de handrem intrekt. “The Shore” is de ballad waarop heel Palace steunt. Vooral de tempoversnellingen en pauzes geven de luisteraar eindelijk wat ruimte om bij te komen van het scheurende gitaargeweld.

”Blind” tracht de boel terug op gang te trekken, maar de schreeuwende riffs gaan iets te onstuimig te werk. Ook “O Maybe I” wordt omvergeblazen door een grote hoeveelheid pathos en heeft niet meer te bieden dan een slechte mengeling van vervelende new wave. De sprankelende tonen die in “All The Eastern Girls” opduiken, weten nog even de meubels te redden, hoewel alsnog met een valse noot wordt geëindigd. “Paper Thin” is inwisselbaar met “The Shore”, maar mist de toetsende elektronica die Chapel Club een eigen gezicht geeft. Geen perfect uitgekiende ballad, wel een teleurstellende afsluiter die het niveau van Palace naar beneden haalt.

Chapel Club bewijst echter vooral enorm gegroeid te zijn op een klein jaar. Waren de groepsleden vorig jaar nog amateurs die wat experimenteerden met eightiespop, dan is het vijftal in een mum van tijd gegroeid tot dé revelatie van de Britse rock. De band toont met Palace veel in zijn mars te hebben, maar kan voorlopig nog geen volledig album blijven boeien. Het is desalniettemin een fijne kennismaking.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zeven − drie =