The White Stripes :: het volledige overzicht

Een goede twee weken terug bereikte ons nieuws zo droef dat
we er nog steeds niet goed van zijn: The White Stripes besloten er
na meer dan tien jaar een punt achter te zetten. De legendarische
band rond Jack en Meg White gaf op hun website te kennen dat ze
wouden bewaren wat er speciaal en puur is aan hun muziek, een
artistieke keuze waarvoor we begrip kunnen opbrengen. Hieronder
leest u het eerbetoon van de redactie: een compleet
carrièreoverzicht van de grootste band van deze
generatie.

Beginjaren: ‘The White Stripes’ (1999) & ‘De Stijl’
(2000)

Jack en Meg debuteren in 1999 met een titelloos album. Hoewel de
plaat nooit echt een groot publiek bereikte, vinden we hier de
kiemen van hun zo typische sound. Hoogtepunten uit het vroegste
werk zijn onder meer ‘The Big Three Killed My Baby’, de cover van
Bob Dylans
‘One More Cup of Coffee’ en latere liveklassiekers als
‘Screwdriver’ en ‘Let’s Shake Hands’. The White Stripes werden een
kleine sensatie in de underground, maar niets wees op wat later nog
zou komen. Jack zou het debuut ten tijde van ‘Elephant’ het beste
noemen dat hij ooit heeft gemaakt, maar erg veel potten breekt ‘The
White Stripes’ niet. De frisse wind die de band later door de rock
zal doen waaien, is aan de vooravond van de eenentwintigste eeuw
nog een bescheiden maar deugddoend briesje. Een curiosum, maar dat
zouden Jack en Meg niet zo lang meer blijven. Het huwelijk van de
twee houdt echter geen stand. Net voor de release van ‘De Stijl’
gaat het echtpaar als vrienden uit elkaar, muzikaal hebben Jack en
Meg elkaar nog heel wat te vertellen.

De minimalistische aanpak van hun debuut zou zich nog verder
ontwikkelen op het tweede album, dat genoemd wordt naar de
kunstbeweging rond artiesten als Mondriaan en Rietveld waar Jack
een serieuze boon voor heeft. Bovendien gebruikt hij die
kunstenaars als inspiratiebron, want less is more is ook
op ‘De Stijl’ het devies. Nog meer dan het vorige wordt dit album
een alternatieve hit, dankzij nummers als ‘You’re Pretty Good
Looking (For a Girl)’ en ‘Hello Operator’. Mainstreamsucces is er
nog net niet, maar de Whites bonken toch al hard op de deur. De
vakbladen reageren dol enthousiast, en sommigen dichten The White
Stripes al een grote carrière toe. Pas rond 2001, wanneer het
volgende album de echte doorbraak van The White Stripes betekent,
zal ook ‘De Stijl’ een echt breed publiek bereiken.

Voorhoede van de vernieuwing: ‘White Blood Cells’ (2001) &
‘Elephant’ (2003)

Onwennig schuifelen. Dat was de beleving waarmee de reactie van
het verzamelde muziekgild bij het verschijnen van ‘White Blood
Cells’ nog het best te vergelijken viel. Dat die White Stripes al
twee erg eigenzinnige en sterke platen uit hadden was onder quasi
eenieders radar gebleven, en ook onze bekken vielen pas wijd open
toen we als internetgeneratie 1.0 de eerste tonen van ‘Dead Leaves
and the Dirty Ground’ hoorden. Nadien bleek het tweekoppige recept
dat The White Stripes hun initiële undergroundfaam gaf er één dat
het beproeven waard was. Naast de vele epigonen die we hebben horen
struikelen over de merites van hun less is more-kunde zijn The Kills en Joe
Gideon & The Shark ons bijgebleven, maar geen enkele band kwam
nog maar in de buurt van wat The White Stripes vanaf ‘White Blood
Cells’ hebben betekend. Apart rondzwervend in het rocklandschap van
de 21ste eeuw, maar tegelijk als de meest interessante band van hun
tijd schoolden Jack en Meg hun geluid om in een samenhangend album
vol eigenzinnige spielereien.

Zo is ‘White Blood Cells’ muzikaal een reuzenstap vooruit
vergeleken met hun vroege werk, hoewel de kroon op hun oeuvre pas
met ‘Elephant’ geplaatst zou worden. En toch was ‘White Blood
Cells’ een noodzakelijk werk. Radiohead maakte
tussen ‘Pablo Honey’ en ‘Ok Computer’ ook iets dat ‘The Bends’
gedoopt werd. Dat als een tussendoortje classificeren, we kunnen
het iedereen afraden.

Nooit – ook niet op ‘Elephant’ – kwam het pure geluid gevormd
door bas en drumstel constant zo goed tot zijn recht als op ‘White
Blood Cells’. ‘Dead Leaves and the Dirty Ground’ is een
intentieverklaring voor moderne blues, ‘Hotel Yorba’ een
rariteitenkabinet dat vrolijk verhult hoe pijnlijk perfect hun
minimalisme is. Ook ‘The Union Forever’ en ‘Offend in Every Way’
staan met hun frivoliteit zo haaks op het geweld dat The White
Stripes bij vlagen etaleren dat het enkel blijk geeft van hun
uniciteit. En dat dat geweld soms werkelijk allesoverrompelend kan
zijn, blijkt niet alleen op het enkel in opzet banale ‘I Think I
Smell a Rat’, maar vooral op ‘Fell in Love with a Girl’. Maar geen
enkel nummer op de plaat – en durven we zeggen hun hele werk, hoe
muzikaal inventief, sterk of uniek ook – komt in de buurt van het
intens nostalgisch introspectieve ‘The Same Boy You’ve Always
Known’. ‘White Blood Cells’ verscheen rond de tijd dat The Strokes
met ‘Is This It’ stadsliteratuur en moderne rock herdefinieerden,
en kan desgevallend pas bij het terugkijken uit die schaduw komen
en naar volle waarde geschat worden. Het is de meest pure plaat van
de beste band van deze eeuw en vooral: het strafste moest nog
komen.

Als je het – onterechte – rommelen in de marge die ‘The White
Stripes’ en ‘De Stijl’ waren even achterwege laat, moesten The
White Stripes hun ‘moeilijke tweede’ maken met ‘Elephant‘. Net zoals
geen enkele wet van Meden en Perzen in dat goeie decennium waarin
ze hun eigenzinnige spectrum eigenhandig ontwierpen op hen van
toepassing was, waren Jack en Meg ongevoelig voor dat mantra. Geen
moderne bliepjes en kraakjes zoals zoveel tijdgenoten op dat
moment, (nog) geen minderwaardige zijprojecten, enkel techniek van
voor de grootdagen van Beatles en Stones. Het ondertussen voor
niemand meer echt overeind gebleven mysterie van hun onderlinge
relatie – wat kon het hen schelen – en hun ongeëvenaarde cool waren
genoeg ter intro. Het bleek een inleiding die het album niet
behoefde. ‘Elephant’ is een eclectisch werk dat het beste van de
laatste veertig jaar door de mangel haalt en eigenzinnig verwerkt.
‘Seven Nation Army’ is door de tand des tijds verwerkt tot het
soort anthem dat het niet verdiend heeft, maar blijft
overeind als de moderne intelligente basklassieker die het is. ‘In
the Cold, Cold Night’ had tot het beste van Janis Joplin kunnen
behoren en voor de intelligente affectie van ‘I Want to Be the Boy
to Warm Your Mother’s Heart’ schieten woorden ons tekort – nooit
een goed teken in ons vakgebied, maar het zegt wat over de
onversneden kunst die ons tot tranen toe bedwingt. ‘Black Math’ en
‘Ball and Biscuit’ zijn vuil als smeerolie en intelligent als
Newton, ‘Hypnotize’ spitser dan Wayne Rooney. De rest is niet veel
minder, en dan hebben we het nog niet over minuut tweeënhalf in
‘There’s No Home for You Here’ gehad.

Als ‘White Blood Cells’ een van de meest pure platen van de
laatste jaren is, dan is ‘Elephant’ de meest moderne. De beste
willen we niet luidop zeggen, maar we denken het wel. Leer ons
superlatieven kennen.

Laag- en hoogconjunctuur: ‘Get Behind Me Satan’ (2005) &
‘Icky Thump’ (2007)

In 2005 verscheen ‘Get Behind Me Satan‘,
en hoewel we dat op geen enkel vlak een slechte plaat kunnen
noemen, was de magie van combo ‘Blood Cells’/’Elephant’ toch
uitgewerkt. De Stripes beseften dat het zoals het was niet meer
beter werd, en sloegen aan het experimenteren, en stilaan moest je
voor het betere gitaarwerk bij The Raconteurs zijn.
Er staat niks slechts op het album, maar een nummer als ‘Blue
Orchid’ was beter in oudere versies met andere titels, ‘My
Doorbell’ is een niemendalletje, maar niet van het niveau van ‘I’m
Bound to Pack It Up’, ‘The Big Three Killed My Baby’ of het
weergaloze ‘You’re Pretty Good Looking (For a Girl)’. Een gebroken
lans is er twee waard. Het is lang niet zo dat er niks van hun oude
niveau op ‘Satan’ staat (‘Little Ghost’! ‘Forever for Her (Is Over
for Me)’! ‘The Denial Twist’!), maar we zullen The White Stripes
niet onthouden via ‘Get Behind Me Satan’. De nieuwe richting die de
Whites hadden gekozen was geen doorslaand succes, de dagen waarin
The White Stripes het alternatieve rocklandschap definieerden leken
voorbij. Niemand voorzag op dat moment de slag die Jack White nog
om de arm had.

Die zou er alweer twee jaar later komen – sinds ‘White Blood
Cells’ was dat zo goed als een gewoonte geworden. ‘Icky Thump‘ zou
uiteindelijk hun laatste studioalbum worden, maar dat verraadt het
geluid van de plaat geenszins. Wie dacht dat The White Stripes na
‘White Blood Cells’ en ‘Elephant’ enkel nog vanuit hun luie stoel
platen maakten, kon zichzelf wel voor het hoofd slaan. ‘Icky Thump’
klinkt alsof de band nog alles te ontdekken had, maar de muzikale
bagage die beiden door de jaren heen hadden opgedaa, bood meteen
ook een venster op het beste uit hun eigen oeuvre. Sceptici werden
de mond gesnoerd en het is vooral de manier waaróp die van ‘Icky
Thump’ zo’n memorabel album maakt. Het titelnummer (het eerste
titelnummer in hun hele carrière!) trapt de deur overhoeks open en
gedijt op een bitsige lijn Led Zeppelin onder een heerlijke dosis
wit: “White Americans, what? / Nothing better to do? / Why don’t
you kick yourself out / You’re an immigrant too.” Even vervaarlijk
spuwt Jack de laatste woorden uit van het venijnige parlando dat in
het soms loodzware ‘Little Cream Soda’ de plak zwaait, en ‘Bone
Broke’ voert op zijn beurt lo-fi naar ongekende hoogten.

Het is The White Stripes menens, maar dat gaat niet ten koste
van hun vermogen tot zelfrelativering: ook ‘Conquest’ is voor een
groot deel opgetrokken uit gewapend beton, maar zet zichzelf te
kakken door het carnavaleske opzet. En daar zien we meteen de
andere kant van ‘Icky Thump’: het hoeft niet voortdurend op het
scherpst van de snee. ‘You Don’t Know What Love Is (You Just Do as
You’re Told)’ is even frivool als ‘My Doorbell’, en ‘Prickly Thorn,
But Sweetly Worn’ houdt het midden tussen Balkanmuziek, het
pastorale van William Wordsworth en het erudiete van Oscar Wilde.
‘300 M.P.H. Torrential Outpour Blues’ is een fantastische song
waarin blues van alle rang en stand een cameo krijgt. Maar ons
persoonlijke hoogtepunt op ‘Icky Thump’ is ‘Rag and Bone’, waar
Jack en Meg voortdurend heerlijk rockend met elkaar aan het dollen
gaan en onderwijl zelf verklaren waarom zij de grootste band van
hun generatie zijn. We laten ze zelf aan het woord: “Bring out your
junk and we’ll give it a home / A broken trumpet or a telephone.”
Wat rommel is voor anderen, is voor hen de basis van nieuw
songmateriaal: “You sure you don’t want it? / If it’s just things
that you don’t want, I can use ‘em / Meg can use ‘em. / We can do
something with ‘em. / We’ll make something out of ‘em.”

Voor wie nog niet helemaal overtuigd was, kan volgend fait
divers
nog als statement van jewelste dienen – laat het een
les in nederigheid zijn voor iedere zelfverklaarde artiest: The
White Stripes werkten nooit langer aan een album dan aan ‘Icky
Thump’. Na amper drie weken stond het kleinood op band.

De laatste wapenfeiten: ‘Under Great White Northern Lights’
(2010)

Eigenlijk was het na ‘Icky Thump’ al de facto over en uit met
The White Stripes. Anno 2010 verscheen hun laatste officiële
release, het livealbum ‘Under Great White Northern Lights’, maar
dat telt niet: het is een ietwat laattijdige neerslag van hun tour
door Canada na ‘Icky Thump’ – drie jaar eerder dus. Vergis u
evenwel niet, want ook deze schijf is essentieel: de
tracklist leest niet als de promotie van een album, wel
als een anthologie. Wie hun back catalogue een beetje
kent, heeft niet veel meer nodig om overtuigd te zijn – volledig
terecht overigens, want op ‘Under Great White Northern Lights’ voel
je dat The White Stripes nooit zijn blijven hangen in de routine
die een tour voor sommige bands wordt. Uit ieder nummer spreekt een
drang naar iets zo puur en extatisch dat we het amper kunnen
beschrijven. Wij noteerden vooral een briljante uitvoering van –
hoe kan het ook anders – ‘Seven Nation Army’ en de meest
beklijvende versie van ‘Jolene’ die u ooit zal horen. Het album
werd bovendien vergezeld van een unieke DVD, die naast de opnames
van de nummers op het album ook heel wat onnozele spielerei bevat.
Het geestigste moment: Jack en Meg die een volledig uitgerust
podium in het midden van de stad opstappen, letterlijk één noot
spelen en dan gortdroog verklaren dat ze eindelijk in elke
provincie van Canada hadden gespeeld, waarna ze weer in de auto
stappen en vertrekken.

Het bleef echter verdacht lang stil rond The White Stripes, en
vooral Jack ging stilaan zijn eigen weg op. Eerst was er het tweede
album met The Raconteurs, ‘Consolers of the
Lonely
‘. Jack richtte zijn eigen label Third Man Recordings op
en ging steeds meer albums producen, en in 2009 startte hij zowaar
zijn derde band op aan de zijde van Alison ‘VV’ Mosshart,
frontvrouw van The Kills: The Dead Weather. In
2009 stonden The White Stripes nog eens samen op een podium in
Conan O’Briens laatavondshow, maar plannen voor een album of tour
waren in geen velden of wegen te bekennen. Die radiostilte leidde
niet meteen tot allerlei wilde speculaties over het einde van de
band, maar toch was de aankondiging op hun website niet meteen een
donderslag bij heldere hemel. Een duidelijke verklaring voor de
split kwam er niet, enkel dit: “It is for a myriad of reasons, but
mostly to preserve what is beautiful and special about the band and
have it stay that way.”

Geheel in de trant van Hugo Claus’ ‘Envoi’ klonk de aankondiging
aan het eind als volgt: “The White Stripes do not belong to Meg and
Jack anymore. The White Stripes belong to you now and you can do
with it whatever you want.” Wij weten alvast wat we ermee willen
doen: koesteren tot het eind van onze dagen.

http://www.whitestripes.com/

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in