True Grit




Tijdens de Oscarceremonie van 1970 kwam het Oude Hollywood oog
in oog te staan met het Nieuwe Hollywood. Oercowboy en
aartsconservatieveling John Wayne was genomineerd voor zijn
hoofdrol in de western ‘True Grit’, tegenover jonge method
acteurs als Dustin Hoffman en Jon Voight (allebei voor ‘Midnight
Cowboy’). Oud Hollywood won, hoewel iedereen het er over eens was
dat Wayne’s Oscar veeleer een beloning was voor zijn lange carrière
en iconische status, dan voor die specifieke vertolking (die al bij
al niet zo memorabel was). Wayne was al 61, hij was nog niet zo
lang geleden ernstig ziek geweest, hij had nog nooit gewonnen en
niemand verwachtte dat hij nog erg lang in het zadel zou blijven
zitten, dus vandaar. Achteraf ging ‘True Grit’ grotendeels verloren
in de schaduw van betere Wayne-westerns als ‘The Searchers’ en zijn
allerlaatste, ‘The Shootist’. Als je hem nu bekijkt, zie je vooral
een erg verouderde film, die van begin tot eind uitschreeuwt: “ik
ben gemaakt in de jaren zestig!”, en houterige acteerprestaties
bevat van Wayne zelf, en vooral van Justin
Bieber-lookalike Kim Darby. Enfin: dit is nu eens één
gevalletje waarin het idee van een remake misschien nog wel steek
zou kunnen houden. De gebroeders Coen maakten er een sfeervolle,
eerbiedige genrefilm van.

Hailee Steinfeld maakt een debuut van heb-ik-jou-daar als Mattie
Ross, een veertienjarig meisje wiens vader werd neergeschoten in
een banale caféruzie door Tom Chaney (Josh Brolin, die pas tegen
het einde van de film opduikt). Mattie huurt de geharde, continu
bezopen marshall Rooster Cogburn (Jeff Bridges) in om Chaney op te
sporen. Gaandeweg krijgt ze echter ook hulp van de Texas Ranger
LaBoeuf (Matt Damon), die zelf achter Chaney aan zit wegens de
moord op een senator. Met hun drieën beginnen ze aan een verbeten
mensenjacht.

En het is in de tegenstellingen tussen die drie personages dat
de ware dynamiek van de film zit: Rooster Cogburn is de nominale
held van het verhaal, maar moet onder ogen zien dat hij eigenlijk
een wandelend anachronisme is geworden. Hij vocht aan de
verliezende zijde van de Burgeroorlog, begint ouder te worden,
mankeert een oog en kan niet van de whisky blijven. Tijdens een
sleutelscène wordt hij vernederd door LaBoeuf, die niet alleen
jonger, sneller en nuchterder is dan hij, maar die ook aan de kant
van de noordelijken stond en dus alles vertegenwoordigt waardoor
Cogburn zich bedreigd voelt. Mattie Ross vormt dan weer een ander
probleem voor zijn vermolmde ego: een vrouw – niet eens een
volwassen vrouw – die mondig en intelligent is, én die geld uit te
geven heeft. Cogburn is de ijzervreter van de drie, maar eigenlijk
heeft hij van het trio het minste macht – LaBoeuf is sterker dan
hij en Mattie is slimmer.

Die thematiek van bedreigde mannelijkheid was in principe ook
aanwezig in de John Wayne-versie van ‘True Grit’, maar kon daar
niet volledig tot zijn recht komen omdat het natuurlijk wel een
John Wayne-western bleef. Als het er op aankwam, was het in die
eerste versie altijd Cogburn die gelijk had, altijd Cogburn die aan
het langste eind trok. De Coens kunnen hier hun verhaal rauwer er
realistischer maken, wat zich ook uit in de visuele stijl: geen
glad geschoren cowboys in kraaknette hemden, maar ruwe venten van
wie je gewoon weet dat ze uren in de wind stinken, stof, modder en
ga zo maar door. Deze nieuwe versie is ook strakker gestructureerd:
waar men het anno 1969 nog nodig vond om elk plotpunt omstandig uit
te leggen, gaan de Coens eerder elliptisch te werk. Is het echt
nodig om te tonen hoe Cogburn en LaBoeuf elkaar voor het eerst
ontmoeten en na veel vijven en zessen beslissen om samen achter
Chaney aan te gaan? De Coens tonen ons gewoon dat de twee samen een
veerpont nemen en de rest vullen we dan wel in. De twee films naast
elkaar leggen is dan ook een boeiende les in filmstructuur – welke
informatie heb je echt nodig, welke kun je knippen? De Coens
vertellen krek hetzelfde verhaal op 20 minuten minder.

Los daarvan blijft er het feit dat de broertjes ditmaal een,
voor hun doen, relatief conventionele film hebben afgeleverd. De
Coens staan bekend als speelvolle perverteerders van genres, die
komedies maken met flinke dosissen existentiële angst (‘A Serious
Man’), thrillers met metafysische elementen (‘No Country for Old
Men’) en spionagefilms met een cast vol debielen (‘Burn After
Reading’). Omdat we er niet echt een betere term voor hebben,
spreken we dan van “ironie” of, nog erger, van “een postmoderne
aanpak”. Hoe je het ook wil noemen, die extra stap om zich boven
hun genre te verheffen, nemen de Coens ditmaal niet. ‘True Grit’ is
een western zoals die in de 21ste eeuw gemaakt wordt.
Gewelddadiger, rauwer en weemoediger van toon dan je in de tijd van
Wayne zou hebben meegemaakt, maar nog altijd een genrefilm. Wat
niet eens negatief is: je voelt misschien iets minder het imprint
van de regisseurs, maar het vermijdt ook dat de Coens voorspelbaar
worden.

Wat wel constant blijft, is de visuele flair van huisfotograaf
Roger Deakins, die alweer een indrukwekkend spel met licht en
duister tot leven brengt. Let op een eenvoudig shot aan het begin
van de film, waarin Mattie een appel van een schaal neemt – de
manier waarop het rood van die appels een explosie van kleur levert
in die grauwe omgeving. Dat werken met contrasten levert een
fantastisch, zuiver visueel moment op, en zo kan je er in de film
nog heel wat vinden.

Jeff Bridges levert een indrukwekkende fysieke prestatie als
Rooster Cogburn, met een lijzige lichaamstaal die perfect de
leeftijd en de langzame aftakeling van zijn personage suggereert.
Hij gromt zijn teksten op een manier die je blij maakt dat er
zoiets bestaat als ondertiteling, maar die ook past in het
tijdskader van de film en de stijl van het personage. Matt Damon
smokkelt dan weer heel wat humor binnen in zijn frisse vertolking
van LaBoeuf, waarvan hij een ietwat protserige figuur maakt die af
en toe wordt ingehaald door zijn eigen plechtstatigheid. Maar de
tour de force hier is de verschijning van Hailee Steinfeld
als Mattie, die zich op indrukwekkende wijze doorheen de lastige
lappen dialoog weet te manoeuvreren, en zowaar een reële autoriteit
en wijsheid uitstraalt. Als er iemand true grit heeft, is
zij het wel.

De Coens stellen dus eens te meer niet teleur. Degenen die
klagen (en die zullen er ongetwijfeld zijn) dat ‘True Grit’ niet
genoeg aanvoelt als een typische Coenfilm, hebben niet helemaal
ongelijk, maar let’s face it, wat voor filmmakers zouden
ze zijn als ze zichzelf toestonden om typisch te worden?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in