The King’s Speech




De tijd dat Brittania de waves rulede ligt dan
wel al enkele decennia achter ons, maar in de nostalgie van een
select clubje filmmakers zal ze nooit verdwijnen. Tot voor enkele
jaren stond het Merchant/Ivory-team garant voor het occasionele
stiff upper lip-drama, waarin al dan niet openlijk werd
terugverlangd naar de tijd toen lords en ladies
nog in het wild rondscharrelden, het gewone volk nog zijn plaats
kende en de thee nooit zo heet gedronken werd als hij werd
opgediend. Daarna nam Joe Wright tijdelijk de fakkel over met
‘Pride and Prejudice’ en ‘Atonement’, en nu is het de beurt aan Tom
Hooper met ‘The King’s Speech’, een traditioneel, Britser-dan-Brits
drama, dat voor de moeite meteen werd beloond met 12
Oscarnominaties. Het is natuurlijk makkelijk om neer te kijken op
dit soort oerklassieke middlebrow cinema, maar hoewel er
zeker legitieme kritiek te geven is op de prent, moet je
uiteindelijk toegeven: het werkt wél. Je zult hier niets te zien
krijgen dat je al niet min of meer kende uit ‘Howard’s End’, ‘The
Remains of the Day’ en ga zo maar door, maar wie zich niet kan
laten meeslepen door het acteervuurwerk van Colin Firth, Geoffrey
Rush en Helena Bonham Carter, moet dringend z’n polsslag eens
checken.

Firth speelt Albert George, de jongste zoon van koning George V
(Michael Gambon). Albert wordt hier voorgesteld als min of meer het
kneusje van de Koninklijke familie: terwijl zijn oudere broer en
troonopvolger Edward (Guy Pearce) er op los leeft en de ene vrouw
na de andere binnendoet, is Albert soms pijnlijk teruggetrokken als
het gevolg van een zware stotter. Via zijn echtgenote Elizabeth
(Helena Bonham Carter) komt hij uiteindelijk terecht bij de
logopedist Lionel Logue (Geoffrey Rush), die hem niet alleen
vlotter leert praten, maar hem en passant zelfs
confronteert met zijn eigen minderwaardigheidscomplex. Na de dood
van George V besluit Edward dat hij wil trouwen met zijn minnares,
de tweemaal gescheiden Wallis Simpson – aangezien de Anglicaanse
kerk echtscheidingen niet erkent en de Engelse koning automatisch
het hoofd van de Church of England is, betekent dit dat hij moet
aftreden. Albert wordt nu, met of tegen zijn zin, koning George VI.
De Tweede Wereldoorlog staat er ondertussen aan te komen, en een
koning die met een goed functionerende tong af en toe een
radiospeech kan geven, is dan ook meegenomen.

Dat alles is van veraf historisch correct: in werkelijkheid
begon Albert al met Logue te werken in de jaren ’20 – hier start
men midden jaren dertig, opdat de film zou kunnen eindigen met de
oorlogsverklaring aan Duitsland. Ook het conflict tussen Albert en
zijn vader wordt overdreven voor dramatisch effect. In ‘The King’s
Speech’ is George V een tirannieke vader, die zijn stotterende zoon
toeschreeuwt: “Spit it out!”, terwijl hij Edward op een
voetstuk plaatst. In realiteit besefte hij blijkbaar maar al te
goed dat Edward een zwakkeling was, terwijl Albert, met of zonder
spraakgebrek, potentieel een goede leider kon worden. Ach ja –
all’s fair in love and movies. Een veel zinvoller vraag,
lijkt mij, is wat voor mentaliteit de film aanneemt tegenover de
rol en macht van het koningshuis. Noch Tom Hooper, noch zijn
scenarist David Seidler, stelt zich ook maar de minste vragen bij
de vermenging van kerk en staat, of het gegeven van kolonialisme –
Lionel Logue is een Australiër en dus een Brits onderdaan, maar hij
schijnt daar hoegenaamd niet van wakker te liggen. De Britse
klassenmaatschappij wordt, als je de film het voordeel van de
twijfel gunt, wél aangepakt, door van Logue een egalitaire
bon-vivant te maken die geen protocol duldt: “Je bent hier bij mij
thuis, en hier gebruiken we voornamen,” zegt hij, waarna hij de
toekomstige koning ongegeneerd Bertie noemt. Maar buiten Logue mag
iedereen zich gerust geroepen voelen om het koninklijk echtpaar met
“uwe hoogheid” aan te spreken.

Is dat gebrek aan een kritische houding een probleem? In
principe niet. De filmmakers kunnen altijd zeggen dat het hele
verhaal binnen de context van zijn tijd bekeken moet worden –
royalty van toen vond het inderdaad de normaalste zaak van de
wereld om verheven te staan boven het gepeupel. De kritiekloze
aanpak van ‘The King’s Speech’ valt perfect te verdedigen onder het
motto “dat is gewoonweg niet het thema van onze film”, maar toch
had ik graag iets meer tanden gezien, een beetje meer lef.

Zoals het is, beperkt de film zich tot een nogal makke
verhandeling over de introductie van massamedia in het publieke
leven. “Vroeger moest een koning er gewoon goed uitzien in een
uniform,” zegt George V, “nu moet hij ook kunnen spreken.” En dat
was dan nog voor de tv en het internet hun intrede maakten. De
Tweede Wereldoorlog was de eerste gemediatiseerde oorlog, en ‘The
King’s Speech’ toont de aanloop daarnaar, met in de hoofdrol
uitgerekend iemand die het heel moeilijk heeft om te spreken. Echt
bijzonder verhelderend is dat allemaal niet – voor zover Hooper al
tot een conclusie komt, is het dat politiek veel minder te maken
heeft met wat je vertelt, dan met de manier waarop je iets vertelt.
Die had u nog nooit eerder gehoord, zeker?

Maar toch heb ik met plezier naar ‘The King’s Speech’ gekeken,
ook al had er dan veel meer ingezeten. Dat heeft te maken met de
nauwkeurige mise-en-scène – de sets zijn volkomen overtuigend, en
Hooper maakt gebruik van strakke kadreringen en stijlvolle
camerabewegingen die de aandacht niet op zichzelf vestigen. Maar
vooral heeft dat te maken met de snappy, vaak erg geestige
dialogen, die met een enorm sterk gevoel voor timing gespeeld
worden door Firth en Rush. (Hoogtepunt: Firth die, bij wijze van
oefening, begint te vloeken, om te ontdekken dat het woord “fuck”
nu eens echt nooit in zijn keel blijft haperen.) Het zijn de twee
acteurs die de film maken, door een sterke menselijkheid in hun
vertolkingen te leggen. In essentie is ‘The King’s Speech’ het
verhaal van een bromance, en het toenemende respect en
affectie tussen de twee wordt geloofwaardig en ontwapenend in beeld
gebracht. Firth krijgt zonder twijfel de Oscar die hij verleden
jaar al verdiend had voor ‘A Single Man’, en het zij hem gegund
(Jesse Eisenberg zal nog wel even kunnen wachten, zeker?).

‘The King’s Speech’ is een crowd pleaser, en hoeveel
gaten er ook in te prikken zijn: het is inderdaad een genoegen om
naar te kijken. Niet echt diepgaand en zeer conventioneel, maar
toch… You know, good, clean, English fun.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in