127 Hours




Met de uitzondering van ‘Trainspotting’ (één van de weinige
films die je echt een meesterwerk op alle vlakken kunt noemen), is
Danny Boyle altijd een regisseur geweest die erg goed is in het
communiceren van fysieke actie en plot, maar minder sterk in het
overbrengen van thematische ideeën. ‘Shallow Grave’ was een
fascinerende en razend spannende thriller, maar als hij al iets
wilde zeggen over vriendschap versus hebzucht in het Engeland van
de jaren negentig (wat hij waarschijnlijk wel wilde), ging dat toch
grotendeels verloren. ‘The Beach’ ging over de manier waarop
toeristen een consumentenproduct maken van de cultuur die ze
bezoeken, maar vooral ook over Leonardo DiCaprio’s ontblote torso.
En zelfs Oscarwinnaar ‘Slumdog Millionaire’ blonk vooral uit
dankzij zijn visuele flair en de meeslepende vertelstijl, terwijl
je de sociale context, over de sloppenwijken van Mumbai, tussendoor
ergens moest gaan zoeken. Voor een deel is het die neiging tot
oppervlakkigheid die hem populair heeft gemaakt, omdat het ervoor
gezorgd heeft dat zijn films altijd een hoog tempo en een flitsende
visuele stijl blijven behouden, terwijl echt heavy
denkwerk meestal overbodig is. Boyle is bovenal een uitstekende
showman, en dat blijkt ook weer uit ‘127 Hours’, een film die erg
sterk is op logistiek en narratief niveau, maar die inhoudelijk wel
aan de oppervlakte blijft krabbelen.

James Franco speelt Aron Ralston, een ingenieur die zich in zijn
vrije tijd bezighoudt met bergbeklimmen, canyoneering en
andere avontuurlijke hobby’s waar een mens fameus moe van wordt. In
2004 komt hij in een rotsspleet in Utah met zijn arm tussen een
steen en de rotswand terecht. Hij kan niet voor- of achteruit en
vijf dagen lang blijft hij daar ter plekke staan, overtuigd dat
zijn einde nabij is. Uiteindelijk (en dit zou echt geen spoiler
mogen zijn) amputeert hij zijn eigen arm met een krottig zakmesje –
wat verdorie nog behoorlijk lastig blijkt te zijn.

‘127 Hours’ schiet uit de startblokken met een nogal
overgeregisseerd eerste kwartier, waarin we Ralston leren kennen
als een avontuurlijke flierefluiter, die geen moment stilstaat bij
de gevaren van zijn hobby. Hij fietst de woestijn in en komt twee
backpackende meisjes tegen met wie hij gaat zwemmen in een
ondergronds meer – introductiescènes waarin Boyle nog net niet zijn
broek afsteekt om zijn publiek toch maar te vermaken. Hij gebruikt
split screen, popmuziek, felle, verzadigde kleuren en gestileerde
beeldovergangen (een shot dat verandert in een digitale foto, bv)
om leven in die eerste 15 minuten te pompen. Op technisch vlak is
dat allemaal knap gedaan, maar je krijgt ook het gevoel dat Boyle
elke seconde van zijn film er met een voorhamer aan het inkloppen
is.

Dan komt Ralston echter vast te zitten onder zijn steen en de
stijl van de film kalmeert. Vanaf dat moment wordt ‘127 Hours’ in
essentie een one man show voor James Franco, die zich
vrijwel geheel afspeelt op die ene locatie. We krijgen zeer korte
flashbacks en, naarmate Ralston mentaal zijn grip verliest,
surrealistische fantasiesegmenten die ons heel even uit de grot
voeren, maar daar blijft het dan ook bij. Geen scènes van het
thuisfront, geen zoekpartijen (als die er al waren). Het is hier
dat de kwaliteiten van de film zich het meest laten voelen: Boyle
weet Ralstons fysieke en geestelijke aftakeling erg geloofwaardig
en meeslepend in beeld te brengen. Je ziet hem bleker en magerder
worden. Telkens wanneer hij een slok water drinkt, wordt er een
punt van gemaakt dat hij niet veel meer over heeft. We zien zijn
pogingen om zichzelf ’s nachts warm te houden en langzaam maar
zeker zien we hem tot het besef komen dat als de steen niet van
plan is te moven, het misschien toch omgekeerd zal moeten. Tegen de
tijd dat de amputatiescène er aan komt, begrijpen we honderd
procent waarom hij dat doet en in wat voor geestestoestand hij zich
bevindt.

Veel daarvan is te danken aan de acteerprestatie van James
Franco, die de hele film draagt, en veel meer afhangt van
gezichtsuitdrukkingen en lichaamstaal dan van dialogen. De enige
betekenisvolle stukken tekst die hij krijgt, zijn twee of drie
monologen die hij geeft voor zijn eigen camera: “Wie dit vindt, mag
de camera houden, maar bezorg deze tape alsjeblieft bij mijn
ouders.” Voor de rest moet hij het hebben van zijn fysiek, maar
Franco weet Ralstons lijdensweg en groeiende wanhoop perfect
voelbaar te maken.

Boyle probeert de vaart er in te houden door te blijven kiezen
voor een up tempo cameravoering, en door er fantasieën en
herinneringen bij te sleuren die ons niet zo zeer een adempauze
geven, als wel het gevoel van Ralstons geestelijke desoriëntatie
versterken. Over het algemeen lukt dat aardig, hoewel je soms het
gevoel krijgt dat de regisseur in die scènes z’n verhaal aan het
uitrekken is om aan 90 minuten te komen. Ik wil maar zeggen –
Scooby-Doo komt maar liefst drie keer kijken in die grot, en dat
zijn er twee te veel.

Hoe dan ook, op een zuiver filmisch vlak scoort ‘127 Hours’ echt
wel. Het is wanneer Boyle een beetje dieper wil graven, dat hij –
niet voor het eerst en allicht niet voor het laatst – door de mand
valt. De personageuitdieping van Ralston beperkt zich voor het
grootste deel tot het voor de hand liggende: hij heeft spijt dat
hij zijn moeder niet vaker heeft gebeld en dat hij een oud lief
unfair behandeld heeft. “Deze rots heeft al een eeuwigheid op me
liggen wachten,” bazelt Ralston op een bepaald moment, alsof zijn
ongeluk voorbestemd was om hem tot inzicht te brengen over de
fouten die hij gemaakt heeft in zijn leven. Het zijn thema’s die
nooit echt uit de verf komen, maar er eerder obligaat worden bij
gesleurd, omdat een simpele vertelling over fysieke overleving
blijkbaar echt niet kon.

Nochtans is dat bij uitstek het aspect van de film dat echt
werkt: de manier waarop Boyle de fysieke realiteit toont van
Ralstons situatie. En nergens wordt dat duidelijker dan tijdens de
climax van de prent, de amputatiescène zelf. In Amerika werden er
blijkbaar mensen misselijk tijdens die sequens, maar dat heeft
wellicht meer te maken met de intensiteit van de set up
dan met de eigenlijke beelden, die bloederig zijn, maar ook niet
extremer dan wat we standaard te zien krijgen in elke hedendaagse
horrorfilm. Het besef dat dit echt gebeurd is, doet heel wat met de
perceptie van mensen.

Zo lang je van ‘127 Hours’ geen diepe inzichten verwacht, is dit
een fascinerende rit, die voornamelijk herinnerd zal worden als de
film waarin James Franco definitief zijn kunnen toont. Ik betwijfel
dat dit een blijver zal worden, maar zo lang hij duurt, ben je wel
helemaal mee. Er zijn veel te weinig films die dat kunnen
zeggen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in