Enter the Void




Gaspar Noé een agent provocateur noemen zou een
understatement zijn van het kaliber “Tom Cruise kan soms
een beetje eng doen”. In zijn eerste film, ‘Seul Contre Tous’, liet
hij een man op de bolle buik van zijn hoogzwangere vrouw timmeren,
in ‘Irréversible’ liet hij Monica Belluci tien minuten lang anaal
verkrachten en nu – na een denk- en draaiperiode die in totaal acht
jaar in beslag nam – komt hij terug met ‘Enter the Void’, een soort
van existentiële LSD-film waarvoor hij naar eigen zeggen het idee
kreeg toen hij naar de film noir ‘Lady in the Lake’ keek
terwijl hij zat te trippen op paddo’s. Geef toe, het is een uitleg
die je Jan Verheyen nog niet snel hoort geven. Ditmaal gaat Noé
minder choquerend te werk (hoewel mensen die het benauwd krijgen
van een ejaculerende piemel of een frontaal in beeld gebrachte
geaborteerde foetus deze beter overslaan), maar de regisseur was
nog nooit zo ambitieus, nog nooit zo experimenteel, nog nooit zo
pretentieus, en vooral nog nooit zo uitvoerig – 155 minuten,
alstublieft. Weet dus waar u aan begint.

Noé is op acht jaar tijd blijkbaar geëvolueerd van een nihilist
(le temps détruit tout, was het infame motto van
‘Irréversible’) naar een boeddhist – knap werk. In ‘Enter the Void’
volgt hij min of meer het gedachtegoed van het Tibetaanse
dodenboek, een mystiek werk dat uitlegt wat er met je gebeurt als
je sterft. Oscar (Nathaniel Brown) is een jonge Amerikaanse
drugdealer in Tokio, die samen leeft met zijn zus Linda (Paz de la
Huerta) – het duo deelt een traumatische jeugd, en de band die ze
hebben is dan ook extreem hecht. Zodanig zelfs, dat Noé zich er
niet van kan weerhouden om haast voortdurend een incestueuze
subtext te suggereren. Na ongeveer een half uur in de film, wordt
Oscar neergeschoten door de politie bij een uit de hand gelopen
drugsdeal. In navolging van wat er beschreven staat in het
Dodenboek, ziet hij eerst zijn hele leven aan zich voorbijtrekken
(wat het tweede, 50 minuten durende deel van de film vormt), waarna
hij als een spookachtige aanwezigheid over de daken van Tokio
zweeft, en op die manier toekijkt hoe het leven zonder hem verder
gaat (nog eens zo’n 45 minuten). Tijdens het laatste kwartier
(spoiler, I guess) zweeft de ontlichaamde Oscar doorheen
een luizig rendez vous-hotelletje, van kamer naar kamer,
waar hij de vrijende koppels gadeslaat. Eén van hen is zijn zus,
die met zijn vriend Alex ligt te rampetampen. Oscar treedt het
lichaam van Alex binnen, wordt (min of meer) één van Alex z’n
spermacellen en bevrucht op die manier zijn eigen zus – met andere
woorden, hij wordt gereïncarneerd als zijn eigen neefje of nichtje.
Far out.

De manier waarop de film uit elkaar valt in duidelijk te
onderscheiden narratieve delen, dicteert ook verschillende visuele
stijlen. Wanneer Oscar nog leeft, wordt er letterlijk vanuit zijn
standpunt gefilmd – lange steadicamshots, waar om de zoveel
seconden een zwart frame tussenzit, om het knipperen van de ogen te
suggereren. We zien Oscars gezicht alleen wanneer hij in een
spiegel kijkt, en zijn stem klinkt doffer dan alle andere geluiden
– het is een stem die van binnen komt, in plaats van een externe
bron te hebben. Noé is niet de eerste die probeert om een
filmverhaal in de eerste persoon te vertellen, en bijna per
definitie faalt hij: de menselijke manier van kijken kan niet
gereproduceerd worden op film, omdat onze ogen over en weer
springen van het één naar het ander. We slaan stukjes informatie
over en keren terug met onze ogen als dat nodig is. Een camera
toont ons alles in één vloeiende beweging, die niets kan overslaan.
Je kunt digitale oogknippers toevoegen zoveel je wilt, het blijft
een steadicamshot. Zij het dan wel knap geënsceneerde
steadicamshots, die vaak minutenlang voortgaan en ongetwijfeld
eindeloze voorbereiding en heel wat digitaal poetswerk vereisten.
In deel twee, de flashback naar Oscars leven, wordt de jonge versie
van Oscar letterlijk gevolgd – we zien constant zijn achterhoofd in
beeld. En in deel drie gaat Noé pas helemaal loos, en krijgen we
een camera die letterlijk over de daken van Tokio zweeft – vrijwel
dit hele segment is van bovenaf gefilmd. Noé sjeest door muren en
zelfs door de hoofden van de personages, en dat allemaal opnieuw in
lange, hypnotiserende shots die doen denken aan de eerste tien
minuten van ‘Irréversible’ (maar dan goddank zonder de enerverende
soundtrack).

Die laatste stijl wordt behouden tot aan het einde, en maakt van
‘Enter the Void’ één van de weinige waarlijk subjectieve films die
de wereld ooit gezien heeft. Op technisch vlak is de film
ontegensprekelijk een enorme prestatie – de hele prent lijkt te
bestaan uit misschien vijf of zes afzonderlijke shots, zo naadloos
vloeit alles in elkaar over. Noé creëert hier een neon-nachtmerrie,
vaagweg gebaseerd op het echte Tokio. Een visuele trip die veel te
danken heeft aan de Stargate-sequens uit ‘2001: A Space Odyssey’
(door Noé zelf aangehaald als referentie). Bij dat alles blijft hij
min of meer lineair te werk gaan – er is een verhaallijn en er zijn
personages, die zelfs een psychologische achtergrond krijgen –
waardoor hij kan vermijden helemaal in het versmachtende hokje van
de “experimentele cinema” terecht te komen. Maar het blijft
duidelijk dat de plotlijn eigenlijk maar een mager excuus is om
enerzijds een boom op te zetten over de mogelijkheid van
reïncarnatie, en om anderzijds een trippy, puur visuele
ervaring te creëren (en dat is het ook geworden; ik ben er van
overtuigd dat je ‘Enter the Void’ zou kunnen bekijken met het
geluid af, en dat je het nog steeds zou snappen). Het verhaal is in
feite niet genoeg om een film van twee en een half uur te
ondersteunen en de psychologische motiveringen van de personages
zijn simplistisch. ‘Enter the Void’ is eigenlijk een oppervlakkige
film, maar dan wel één van een eindeloze vormelijke
complexiteit.

Seks blijft een grote rol spelen in het universum van Noé, zij
het nog steeds een problematische. Zijn gebruikelijke homofobie
komt weer opduiken, in de vorm van een geperverteerde gay
drugdealer, en voor het overige blijft seks voornamelijk een
kwestie van gewelddadig afgedwongen macht over de andere. In de
praktijk: een manier voor mannen om macht uit te oefenen over
vrouwen, door hen te penetreren. Zo was het al in ‘Irréversible’,
en zo is het hier nog, hoewel Noé hier ook aandacht besteedt aan
seks als middel tot voortplanting. Het idee dat seks ook iets
vreugdevols kan zijn, laat staan dat het iets met affectie te maken
zou kunnen hebben, blijft daarbij volledig buiten beschouwing. Noé
is goed in het portretteren van emoties als woede en wanhoop –
positievere gevoelens liggen hem minder. Om maar één voorbeeld te
noemen: als kind belooft Oscar aan Linda dat hij haar altijd zal
beschermen – zijn aanwezigheid als geest na zijn dood zou je dus
kunnen beschouwen als het vervullen van die belofte, maar Noé kan
er niet aan weerstaan om er een seksueel geperverteerd laagje aan
toe te voegen. Bewust of onderbewust wil Oscar zijn eigen zus
gewoon bezwangeren, zo blijkt.

‘Enter the Void’ is vormelijk zo sterk dat je de film onmogelijk
kunt afschrijven als een arty farty mislukking. Maar wie,
vraag ik mij dan af, zou de prent ooit een tweede keer willen
bekijken? Wie kan zeggen dat hij er emotioneel door werd geraakt?
En wie kan zeggen dat de onaflaatbare negativiteit en lelijkheid
van Noé’s wereldbeeld na een tijdje niet een vermoeiende pose gaat
lijken?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in