Twelve




Joel Schumacher is ondertussen 71 jaar oud, maar hij is nog
altijd even gefascineerd door jonge mensen (liefst voorzien van
lijven die zo strak zijn dat je er biljart op kunt spelen) en hun
zeden (of het gebrek daaraan). Je ziet die fascinatie regelmatig
terugkomen doorheen zijn carrière: de twentysomething
yuppies
van ‘St. Elmo’s Fire’, de arrogante studenten
medicijnen van ‘Flatliners’, de tienervampieren van ‘The Lost
Boys’, het jonge kanonnenvoer van ‘Tigerland’ en ga zo maar door.
Tieners of twintigers die geconfronteerd worden met morele keuzes
en meestal de verkeerde kant opgaan, daar gaat het om. In ‘Twelve’
staat Schumacher in volle indie-modus te werken – een zeer
beperkt budget, een kort draaischema – voor een nieuwe variant op
dat gegeven. Dit maal waagt hij zich zelfs met één teen in Larry
Clark-gebied (‘Kids’, ‘Ken Park’): ‘Twelve’ is immers een cynisch
portret van een verloren generatie aan welgestelde tieners, die met
hun privileges niets anders weten aan te vangen dan blowen, snuiven
en zichzelf een hernia neuken.

Het verhaal werd gebaseerd op de roman van Nick McDonell, die
nog maar 18 was toen het werd gepubliceerd, en bijgevolg alleen
daardoor al het soort van literair fenomeen werd dat een verfilming
haast onvermijdelijk maakte. Hoofdpersonage White Mike (Chace
Crawford) is een jongen van pakweg 19, die een job in het
restaurant van zijn vader afslaat om drugs te gaan dealen. Zelf
gebruikt hij niets, maar hij fungeert wel als tussenpersoon voor de
straatjongeren die hem van zijn spul voorzien, en de rijke
upper class kids die hun ennui proberen te
verdoven met zijn dope. White Mike komt op een kruispunt in zijn
leven te staan wanneer hij ontdekt dat zijn neef Charlie werd
vermoord.

Parallel hieraan volgen we een aantal van de rijkeluiskindjes
die White Mike’s waren kopen: Jessica (Emily Meade) bereidt zich
voor op de universiteit, maar raakt angstaanjagend snel verslaafd
aan de nieuwe designer drug “twelve”. Sarah (Esti
Ginzburg) gebruikt seks om gedaan te krijgen wat ze hebben wil, en
Claude (Billy Magnussen), is net terug van rehab, enkel om
te ontdekken dat zijn eigen moeder niets meer met hem te maken wil
hebben. Al die personages komen samen op een apocalyptisch feestje
aan het einde van de film, dat zo bizar afloopt dat zelfs Brett
Easton Ellis onder de indruk zou zijn.

Joel Schumacher is nooit een subtiel regisseur geweest, en zijn
voorhamer-aanpak is alweer van de partij in ‘Twelve’. Hij haalt
oudgediende Kiefer Sutherland er bij om voor verteller te spelen,
wat inhoudt dat we haast voortdurend een opdringerige voice over te
horen krijgen, die ons op z’n best vertelt wat de personages
denken, maar nog veel vaker gewoon beschrijft wat we zien. Ik
vermoed dat die voice over letterlijk uit het boek werd overgenomen
– de zinsbouw is complexer dan wat scenaristen doorgaans in een
filmscript durven te zetten – maar in combinatie met de beelden
werkt ze vooral storend. In plaats van ons de personages zelf te
laten ontmoeten, geeft Schumacher (en scenarist Jordan Melamed) ons
gewoon gesproken introducties via de verteller, die ons met een
paar zinnen meteen alles meegeeft dat we ooit over hen zullen
weten. Wanneer White Mike op een bepaald moment een kerk
binnengaat, mogen we als kijker niet zelf onze conclusies trekken
over zijn motivaties om dat te doen: de verteller deelt het ons
mee. Op die manier hameren de filmmakers al hun inhoudelijke punten
er nadrukkelijk in, klaarblijkelijk omdat ze vrezen dat we anders
te dom zullen zijn om het te begrijpen. In feite probeert
Schumacher hier een typisch literaire constructie (die van de
alwetende verteller) letterlijk over te nemen voor een film, wat
simpelweg niet werkt: de techniek geeft een betuttelende
indruk.

Vooral ook omdat uit die voice over nog het duidelijkst de
minachting blijkt die de schrijver, en bij uitbreiding de
filmmakers hebben voor hun personages. Eén van de basisregels voor
fictie is dat je als auteur nooit je personages mag veroordelen –
in principe moet je empathie opbrengen voor iedereen over wie je
schrijft, en laat je lezer of kijker dan maar beslissen. Gebaseerd
op wat ik heb gezien in de film, krijg ik de indruk dat dit een les
is die McDonell heeft gemist: al zijn personages, met de mogelijke
uitzondering van White Mike, zijn hedonistische, oppervlakkige
monstertjes, voor wie er geen enkele redding mogelijk is. Het is
daar dat de parallellen met de films van Larry Clark en de romans
van Brett Easton Ellis (wiens ‘Less Than Zero’ duidelijk een
inspiratie vormde), zich sterk laten voelen. Buiten hun eigen genot
en hun imago bij hun leeftijdsgenoten zijn de rijkeluiskinderen van
‘Twelve’ in helemaal niets geïnteresseerd. Psychologische
motivering is beperkt – alleen White Mike en Jessica krijgen een
beetje achtergrond mee, en ook bij hen blijft dat beperkt tot de
obligate freudiaanse gemeenplaatsen. Mike’s moeder is jong
gestorven aan borstkanker, terwijl Jessica rebelleert tegen haar
pill popping, slonzige moeder (gespeeld door Ellen Barkin,
die een patent heeft op dit soort rollen). Voor de rest deugen de
personages gewoon niet omdat ze niet deugen. Omdat ze symptomen
zijn van de één of andere ongedefinieerde sociale malaise,
veronderstel ik. Dat zijn personages in dit soort films namelijk
wel vaker. In ieder geval, noch McDonell, noch Schumacher, nog
scenarist Melamed lijkt iets anders dan cynisch misprijzen te
voelen voor het gros van de personages. En dat is een cynisme dat
misschien heel diepzinnig lijkt als je achttien bent, maar dat
daarna al gauw hol en betekenisloos klinkt. Cynisme is gemakkelijk
– nuance opzoeken, dat is moeilijk. Niemand die betrokken was bij
‘Twelve’ begint er dan ook aan.

Om het geheel te voorzien van een zekere artistieke flair, voegt
Schumacher hier en daar (bijna) surrealistische scènes toe, die
meestal echter een bad laugh scoren. Jessica die tijdens
haar drugtrip begint te praten met haar teddyberen, bijvoorbeeld.
Fantasiescènes die zich afspelen tegen een hagelwitte achtergrond,
en waarin White Mike het graf van zijn moeder bezoekt. Of gewoon
heel die finale, die zodanig grotesk is dat ze haar doel (mensen
choqueren) compleet voorbijschiet om ook weer lachwekkend te
worden. Het zijn kunstgrepen die ons dienen te overtuigen van de
artistieke insteek van de film, maar die dood in het water
vallen.

Blijven er nog de acteurs, die zo goed als allemaal werden
gecast op basis van hun uiterlijk – er is er maar één die er niét
uitziet alsof hij van de cover van een glossy magazine gestapt
komt, en dat is Rory Culkin, die dan ook een verrassend sterke rol
neerzet als nerd die zich laat manipuleren door één van de
meisjes. Chase Crawford is oké maar nooit opmerkelijk als White
Mike, terwijl de rest van de cast geloofwaardig weet te zijn,
zonder zich echt te onderscheiden.

Ik wil graag geloven in de goede bedoelingen van iedereen die
betrokken was bij ‘Twelve’. De film heeft een interessant thema te
pakken, maar niet de rijpheid om er vervolgens ook iets zinnigs
over te zeggen. En dat Nick McDonell die rijpheid nog niet had op
zijn achttiende, daar kan ik inkomen, maar Joel Schumacher had op
zijn zeventigste toch wel beter mogen weten.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in