Des Hommes et des Dieux





Met : Lambert Wilson, Michael Lonsdale, Olivier Rabourdin, Philippe
Laudenbach e .a.

De timing van ‘Des Hommes et des Dieux’ is nu niet bepaald wat
je noemt “fortuinlijk”. In het midden van de grootste crisis die de
katholieke kerk in recente tijden heeft meegemaakt, komt regisseur
Xavier Beauvois met een drama aanzetten dat een positief, zelfs
vererend licht werpt op een groepje monniken. Je zou denken dat een
dergelijke film gedoemd was tot falen, maar Beauvois’ verhaal is zo
genuanceerd en doordacht, dat zelfs de meest overtuigde atheïst er
respect voor moet opbrengen. Zonder compromissen te sluiten, weet
de regisseur een sterk menselijk drama te puren uit schijnbaar
oubollige, naar een stoffige sacristie ruikende thema’s als
naastenliefde en zelfopoffering. Met als extra bonus: de kans dat u
in de zaal van ‘Des Hommes et des Dieux’ een meute popcornvretende
14-jarigen aantreft, is zo goed als onbestaand. Score!

Het verhaal speelt zich af in een onooglijk dorp, ergens in
Algerije, in het midden van de jaren negentig. Acht Cisterciënzer
monniken van middelbare leeftijd of ouder wonen samen in een klein
klooster, in schijnbaar complete harmonie met de moslimbevolking
om hen heen. Vader Luc (Michael Lonsdale) is arts en verzorgt
dagelijks zo’n 150 mensen. Christian (Lambert Wilson) is het brein
van de orde, die het grootste deel van de contacten met de
buitenwereld verzorgt, en op die manier bijna de functie van
sociaal werker vervult voor het dorp. De monniken leven van het
land, worden uitgenodigd op plaatselijke feesten, en lijken gewoon
in het algemeen een ideale geestesrust te hebben gevonden in het
leven. Dat alles komt echter op de helling te staan wanneer
moslimextremisten steeds meer geweld plegen in de regio. De
monniken krijgen de raad om te vertrekken, maar komen na lang
beraad tot de beslissing om toch te blijven. Een besluit dat
extreme gevolgen zal hebben.

In principe klinkt die samenvatting als een simplistische
anti-islamitische propagandafilm: de brave katholieke monniken die
bedreigd worden door de moslimextremisten. Maar één van de grote
prestaties van de film, is juist dat Beauvois een scherp
onderscheid weet te maken tussen religie enerzijds, en de
karikatuur die extremisme van een geloof maakt anderzijds. De
dorpsbewoners waarmee de monniken samenleven, vertegenwoordigen de
islam zoals die onder goede omstandigheden kan en moet zijn:
verdraagzaam en open voor andere levensbeschouwingen. Het brute
geweld waartoe de extremisten in staat zijn, wordt daarmee niet
ontkend, maar wel in een context geplaatst die ontbreekt bij mensen
die graag volhouden dat “gematigde moslims niet bestaan”. Op
gelijkaardige wijze worden de waarden van het katholicisme in de
film eigenlijk gelijkgesteld aan een diep geworteld humanisme. De
monniken prediken tegen de bevolking niet over hun eigen geloof en
proberen ook hun eigen waarden niet op te dringen, maar helpen waar
ze kunnen en blijven voor het overige vooral vasthouden aan de
nederigheid die deel uitmaakt van hun geloften. Je hoeft niet
gelovig te zijn om die levensstijl te waarderen voor wat het is:
een toenadering tussen twee levensvisies die elkaar lijken uit te
sluiten. De gebeurtenissen in de film spelen zich af vóór 9/11,
maar lijken nog relevanter voor onze tijd.

Het is dat humanisme dat ervoor zorgt dat ‘Des Hommes et des
Dieux’ niet alleen geschikt is voor gelovigen. De personages worden
overtuigend geschetst, en gaandeweg komen we van de meesten onder
hen hun persoonlijke motivaties te weten. In één van de mooiste
scènes uit de film, beschrijft één van de monniken hoe hij een
tijdje geleden terugging naar Frankrijk voor een familiefeest:
“Iedereen was aan het eten en aan het lachen. En ik was blij om er
bij te zijn, maar tegelijk…” Voelde hij zich een buitenstaander.
En aan het einde van die monoloog, gespeeld met een prachtig gevoel
voor understatement, begrijpen we waarom die man beslist
om in Algerije te blijven, ook al betekent dat dan wellicht zijn
dood. Hij heeft het niet over God, laat staan over zijn
betrokkenheid bij de kerk, maar over zijn eigen gevoelens – en daar
kan iedereen zich iets bij voorstellen.

Dat soort scènes van eenvoudige menselijkheid maken de film tot
wat hij is. Er zijn nog voorbeelden te noemen: aan het einde van de
prent zien we de monniken een flesje wijn kraken tijdens het eten,
terwijl ze luisteren naar het Zwanenmeer. Beauvois laat geen
dialoog horen, maar geeft ons een minutenlange montage van hun
gezichten – op dat moment beseffen ze dat dit een soort laatste
avondmaal is, en dat ze waarschijnlijk niet lang meer te leven
hebben. Die wetenschap staat op hun gezichten geschreven en
geestelijken of niet, ze zijn bang.

‘Des Hommes et des Dieux’ zal evenwel niet voor iedereen zijn,
voornamelijk omdat de film zich voortbeweegt aan het tempo van het
kloosterleven zelf: langzaam maar zeker. Naarmate de dreiging van
buitenaf toeneemt, krijgt de prent in zijn tweede helft meer
drive, maar tijdens het eerste uur krijgen we vooral een
bedaarde, rustige vertelstijl, die het geduld van sommige kijkers
wel eens op de proef zou kunnen stellen. En laten we eerlijk zijn:
de film is ook effectief een tiental minuten te lang – aan het
einde krijgen we drie scènes die eigenlijk perfect het einde van de
film hadden kunnen zijn, waarna het toch nog even voortgaat. Da’s
een risico dat je loopt als je dit type van introspectieve film
maakt: de eigenlijke handelingen van de personages zijn meestal
maar weinig spectaculair, waardoor je als regisseur een manier moet
zoeken om je publiek mee te sleuren naar de onderliggende niveaus
van je prent, die vaak veel interessanter zijn. Beauvois vindt die
manier, maar eist van de kijker zelf dan ook behoorlijk wat
inspanning.

Wie die inspanning wil leveren, krijgt er echter een
indrukwekkende ervaring voor terug, die ook puur op filmisch vlak
knap in elkaar gestoken is. Beauvois weet de schoonheid van het
landschap mooi naar voren te brengen, zonder te vervallen in
mooifilmerij en gebruikt ook zijn muziek op een briljante manier.
Er is geen klassieke score, maar de verschillende sequensen worden
onderbroken door de koorgezangen van de monniken, die min of meer
dienen als commentaar op de actie. En dan is er natuurlijk die
beruchte scène waarin ze luisteren naar het Zwanenmeer – in
principe een stukje klassieke muziek dat al even cliché is geworden
als de Vier Seizoenen, maar dat wel werkt in de context van de
scène.

Voeg daar nog uitstekende, doorleefde acteerprestaties aan toe
van een cast vol karakterkoppen en je hebt een terechte winnaar van
de Zilveren Palm in Cannes. Ja, de film vereist een inspanning en
vooral een open geest, maar wie dat kan opbrengen, ziet een
uitstekende prent.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in