Once Upon a Time in the West

Kort nadat Sergio Leone in 1966 ‘The Good, the Bad and the Ugly’
uitbracht, keerde hij zijn aandacht naar dat andere Amerikaanse
stereotype: de gangster. In zijn Dollars-trilogie had hij de mythe
van de nobele cowboy, zoals belichaamd door John Wayne, uitgebreid
aan flarden geschoten – nu was het tijd om op een gelijkaardige
manier het klassieke beeld van maffiosi te perverteren.
Uiteindelijk zou hem dat ook lukken, maar daarvoor moest hij nog
wachten tot 1984. Een tergend langzaam schrijfproces was één reden
voor die twee decennia durende vertraging, maar het had er ook veel
mee te maken dat na het succes van de Dollars-films Hollywood bij
Leone aan de deur kwam kloppen. En wat zij wilden, waren meer
westerns. Leone gaf toe en besloot om te beginnen aan een tweede
trilogie – de ‘Once Upon a Time’-trilogie, waarin hij telkens een
historische periode behandelde die het einde van een tijdperk
betekende in de VS. De eenheid van de drie films wordt enigszins
gehavend door het feit dat ‘Duck, You Sucker’ zich in Mexico
afspeelt en strikt genomen de ‘Once Upon a Time’-structuur van de
titels doorbreekt, maar inhoudelijk valt er wel een lijn tussen de
verschillende delen te trekken. ‘Once Upon a Time in the West’ was
de opener van het nieuwe drieluik, en wordt nog steeds beschouwd
als één van de beste westerns ooit gemaakt.

De plot is in principe kinderlijk eenvoudig: Morton is een
steenrijke businessman die bezig is een spoorweg aan te leggen door
het wilde westen. Hij maakt gebruik van de diensten van Frank
(Henry Fonda), een gewetenloze moordenaar, om iedereen uit de weg
te ruimen die dwarsligt. Mensen zoals Brett McBain, bijvoorbeeld,
een boer die zijn land niet aan Morton wil verkopen. Hij en zijn
kinderen worden dan ook genadeloos neergekogeld door Frank en zijn
bende. Jill (Claudia Cardinale), de kersverse bruid van McBain,
treft enkel een slachtpartij aan wanneer ze van New Orleans
overkomt om zich bij haar man en zijn gezin te voegen. En dan zijn
er Cheyenne (Jason Robards), een schurk-met-eergevoel die het niet
bepaald leuk vindt om de moorden van Frank in zijn schoenen
geschoven te krijgen, en Harmonica (Charles Bronson in de rol van
zijn leven), een mysterieuze figuur die nog een eitje met Frank te
pellen heeft.

Het zegt waarschijnlijk genoeg over de lyrische vertelstijl van
Leone dat hij voor dit eenvoudige verhaaltje ruim twee en een half
uur nodig heeft. In de Dollars-films zag je al duidelijk dat de
regisseur steeds meer zijn tijd nam om dingen te vertellen waar
andere filmmakers zich doorheen zouden haasten. Van de compactheid
van ‘A Fistful of Dollars’, die nauwelijks boven het anderhalf uur
uitkwam, evolueerde hij naar de epische grandeur van ‘The Good, the
Bad en the Ugly’, die afklokte op bijna drie uur – zonder dat het
verhaal van die laatste film daarom opmerkelijk complexer was. In
‘Once Upon a Time in the West’ duwt hij dat langzame, bedachtzame
tempo nog verder. Misschien duwt hij het zelfs enigszins over de
grens. Om u een idee te geven: het duurt ruim 45 minuten vooraleer
de vier hoofdpersonages geïntroduceerd zijn. Tijdens de eerste 11
minuten van de film zien we niets meer dan drie gunmen die
aan een slaperig treinstation de komst van Harmonica afwachten – ze
zitten, ze worden lastiggevallen door een hardnekkige vlieg, ze
kraken hun vingers en ze wachten. Tien minuten lang. Dan komt de
trein aan, de drie mannen staan tegenover Harmonica en het
resulterende pistoolgevecht duurt hoop en al tien seconden. Nog zo
eentje: tijdens de introductiescène van Cheyenne loopt hij, met
handboeien aan, een café binnen. Hij ziet Harmonica zitten, de twee
kijken elkaar aan en daarna verplicht hij een andere klant om zijn
handboeien stuk te schieten. Een scène die in een andere film
misschien twee, drie minuten zou duren maar hier wordt uitgerekt
tot 10 minuten.

Dat uitrekken van scènes is natuurlijk de stijl waar Leone
bekend voor is geworden – het is wat we associëren met de
spaghettiwestern. Op die momenten valt het verhaal eigenlijk stil –
in plaats van zich bezig te houden met de narratieve drive
achter de plot of met de uitwerking van de personages, bedrijft
Leone tijdens die lange, vaak statische scènes wat je “pure cinema”
kunt noemen. Die shots gaan helemaal nergens over, behalve over
zichzelf. Die ogen, dat landschap, de handen die over het pistool
zweven, de lichaamstaal – de tijd wordt opgeschort, de personages
stappen als het ware buiten het verhaal en zichzelf totdat Leone
hen langs alle kanten grondig bekeken heeft en klaar is om verder
te gaan.

Heel wat mensen vinden dat prachtig, een minderheid vindt het
simpelweg langdradig. Zelf waardeer ik de stijl voor wat het is,
hoewel ook ik na een tijdje ongeduldig word met ‘Once Upon a Time
in the West’ (wat dan weer niet het geval is bij ‘The Good, the Bad
and the Ugly’, een film die wat mij betreft net onder de grens wist
te blijven, waar ‘Once Upon a Time’ er net over gaat). Bovendien
drijft Leone ook zijn elliptische verhaalstructuur steeds verder,
zodat bepaalde plotpunten niet helemaal duidelijk zijn (toch zeker
niet tijdens een eerste kijkbeurt): Cheyenne wordt gevangen genomen
en op een trein gezet. Later komen we te weten dat hij blijkbaar
bevrijd is en dat hij en zijn mannen de trein van Morton hebben
aangevallen – maar we hebben niets daarvan gezien. We moeten de
acties afleiden uit de gevolgen ervan, wat voor de nodige
verwarring kan zorgen.

Thematisch is Leone wel bijzonder sterk bezig in ‘Once Upon a
Time’: zelf omschreef hij de film als een doodswals, en het is
makkelijk om te begrijpen waarom. Hij toont hier hoe het oude
westen wordt vermoord door de technische vooruitgang,
vertegenwoordigd door de trein. Ironisch genoeg is Frank, een
typische cowboy-schurk, dus iemand die meewerkt aan zijn eigen
ondergang. Bovendien geeft Leone ons hier, voor de eerste en enige
keer in zijn oeuvre, een sterk vrouwelijk hoofdpersonage, dat niet
afhankelijk is van de mannen – een behoorlijk contrast met de
gebruikelijke portrettering van vrouwen in zijn films als hoeren of
huisvrouwen (een portrettering die later, in ‘Once Upon a Time in
America’, trouwens zou overslaan naar iets dat gevaarlijk op
misogynie lijkt). De suggestie om een vrouw als hoofdpersonage te
gebruiken, kwam dan ook niet van Leone, maar van coscenarist
Bernardo Bertolucci. Het idee werd naar verluidt slechts
schoorvoetend door Leone aanvaard – ik zou graag willen geloven dat
dat niets over hem zegt, maar tja…

En dan zijn er nog de acteurs, die zelden beter gecast waren:
Henry Fonda gaat overtuigend tegen zijn imago in als slechterik
(die blik wanneer hij dat kind neerschiet in zijn openingsscène!),
Charles Bronson is perfect als mysterieuze outsider, Jason Robards
amuseert zich met de sappigste rol in de film en Claudia Cardinale
weet een mooie mix tussen ijzige afstandelijkheid en geaffronteerde
moraliteit te bewaren. Voeg daar de majestueuze fotografie aan toe
(de rit van Cardinale naar haar huis is fenomenaal in beeld
gebracht) en alweer een score van Ennio Morricone die de
opera-achtige sfeer van de film prima ondersteunt, met prachtig
vocaal werk, en je hebt een film die eigenlijk beter functioneert
als expressie van pure cinema (die beelden, die muziek!) dan als
narratief hulpmiddel om een verhaal verteld te krijgen. Misschien
hoeft een film helemaal niet perfect te zijn om een meesterwerk te
zijn. Misschien kunnen pure panache en cinematografische flair een
verwarrend scenario en een te gezapig ritme echt wel goedmaken. In
dat geval is ‘Once Upon a Time in the West’ ontegensprekelijk een
meesterwerk.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in