Once Upon a Time in America (1/2)

Sergio Leone heeft ooit beweerd dat hij “het grootste deel van
zijn volwassen leven” had besteed aan het ontwikkelen en maken van
zijn laatste film, ‘Once Upon a Time in America’. Een overdrijving,
misschien, maar in ieder geval had de prent één van de langste en
meest getroebleerde voorgeschiedenissen uit de filmhistorie. Leone
had al na de voltooiing van zijn ‘Dollars’-trilogie in 1966 het
idee om Harry Grey’s roman ‘The Hoods’ onder handen te nemen –
jaren lang bleef het concept steken op het niveau van droomproject,
tot Leone in de jaren zeventig eindelijk concrete stappen ondernam
om de film te maken. De rechten verkrijgen op de roman alleen al
was een titanenklus, die pas in 1976 slaagde. Letterlijk tientallen
schrijvers leverden over de loop van nog eens vijf jaar bijdragen
aan verschillende versies van het scenario (inclusief grote namen
als Norman Mailer) – uiteindelijk kregen zes auteurs, plus een
dialoogschrijver, een credit op de aftiteling. En de
draaiperiode zelf nam nog eens een jaar in beslag (tussen 1982 en
1983). Enfin, dit was geen kleinschalig kamerdrama.

Zo bleek toen ‘Once Upon a Time in America’ eindelijk klaar was:
Leone had een versie van zes uur voorbereid, die hij achteraf met
enige tegenzin terugbracht tot 3 uur en 40 minuten. Deze editie van
de film werd internationaal vertoond en lyrisch onthaald door pers
en publiek. In de VS, daarentegen, beschouwde de verdeler de film
als te lang en verwarrend, waardoor er een nieuwe monteur werd
bijgehaald om hem – zonder betrokkenheid van de regisseur –
“toegankelijker” te maken voor het Amerikaanse publiek. De
flashback-structuur werd overboord gegooid en bijna anderhalf uur
aan materiaal verdween, om er een lineair verhaal van 144 minuten
van te maken. Het gevolg was dat de film een onsamenhangende bende
was, die gewoon op narratief vlak al nauwelijks te volgen was, laat
staan dat de poëtische schoonheid van Leone’s originele versie
bewaard zou zijn gebleven. Pas met de release van de video en dvd
van de film, kon het Amerikaanse publiek de volledige film
ontdekken – tegen die tijd was Leone echter al gestorven, diep
teleurgesteld over de verminking van een film waar hij meer dan
tien jaar van zijn leven aan had gegeven, en die gezien kan worden
als de ultieme recapitulatie van zijn visie op het leven en de
cinema.

Het verhaal is in principe eenvoudig: we volgen vier vrienden
die samen opgroeien in het Brooklyn van de jaren twintig. Ze rollen
de zakken van zatlappen en knappen klusjes op voor bootleggers
kleine boefjes die niet kunnen wachten tot ze groot zijn.
Noodles is de meest kwetsbare van de vier, en ergens krijgen we het
idee dat hij heel wat had kunnen bereiken als hij ergens anders was
opgegroeid. Max is de koele zakenman, die voor elk probleem de
meest profijtige oplossing lijkt te weten. Als jonge volwassenen in
de jaren dertig worden hun zaakjes gevaarlijker: ze beroven
juweliers en vermoorden mensen op aanvraag. Wanneer Max luidop
begint te dromen van een ambitieuze overval die niet anders dan
fataal kan aflopen, besluit Noodles een verraad te plegen dat hem
de rest van zijn leven zal achtervolgen.

Dat klinkt simpel, maar Leone vertelt dat verhaal als een serie
flashbacks en flashforwards, die zich in elkaar vastbijten en
prachtig op elkaar rijmen. Er zijn drie tijdlijnen: Noodles en Max
als kinderen in de jaren twintig, als jonge mannen in de jaren
dertig en dan later het verhaal van een eenzame en verbitterde
Noodles anno 1968. In een traditionele raamvertelling zou je
vertrekken vanuit de meest recente tijdlijn, het “heden” van de
film, en dan van daaruit telkens teruggaan naar één van de vorige
verhaallijnen, maar dat is niet hoe Leone werkt. Hij begint zijn
verhaal in 1933, gaat dan vooruit naar 1968 en keert dan pas terug
naar de vroegste tijdlijn, circa 1924. En uiteraard is dat geen
willekeurig gegoochel met de chronologie om interessant te wezen.
Leone toont ons hoe Noodles in 1933 naar een opiumkeet gaat en een
pijp rookt om het verraad te vergeten dat hij net heeft gepleegd –
door daarna vooruit te gaan in de tijd in plaats van achteruit,
schept hij de suggestie dat wat we zien misschien niet meer is dan
een drugsdroom. In de context van het verhaal zou dat logisch zijn:
in de scènes in 1968 komt Noodles er immers achter dat hij
eigenlijk helemaal niemand heeft verraden, maar dat hij juist zelf
het slachtoffer is van een veel grotere misdaad. En als er nu iets
is dat hij anno 1933 heel graag zou willen geloven, dan is het dat
wel.

Dat alles gaat natuurlijk verloren als je de film op
chronologische volgorde zet, zoals gedaan werd voor de Amerikaanse
release. Om nog maar te zwijgen over de melancholische toon van de
prent. Dit is niet het verhaal van een paar vrienden die samen
opgroeien tot volwassen gangsters – het is het verhaal van een
volwassen gangster die terugblikt op zijn verleden en (misschien)
vooruit probeert te blikken naar een mogelijke toekomst. Het
voornaamste thema van ‘Once Upon a Time in America’ is juist de
manier waarop mensen hun eigen verleden fictionaliseren, er een
verhaal van maken om het een plaats te kunnen geven in hun heden.
Dat is wat Noodles de hele film lang doet, en bij uitbreiding is
het wat Amerika (en, veronderstel ik, elk land) met zijn eigen
geschiedenis doet. Het is in ieder geval wat Leone in al zijn
westerns en nu in dit gangsterepos doet: hij neemt het verleden van
de VS (een land dat hij tot in de jaren zeventig nauwelijks had
bezocht) en hij fictionaliseert het, hij maakt er een mythe van.
Dat hele thema, en bijgevolg ook de consistentie met de rest van
het oeuvre van Leone, was in 1984 in geen enkele Amerikaanse cinema
terug te vinden.

‘Once Upon a Time in America’ is dan ook verreweg Leone’s meest
diepgaande film: het is het verhaal van een man die probeert om
vast te houden aan de relatieve onschuld van het verleden. Eén van
de belangrijkste rekwisieten in de film is een horloge, dat de
jongens als kinderen pikken van een dronkaard. Dat horloge blijft
de hele prent lang terugkomen, en ook voor de rest lijkt Leone zijn
film vol te proppen met zoveel mogelijk klokken, om op een
symbolische manier de nadruk te leggen op het verstrijken van de
tijd. In één van de scènes uit 1968 vraagt een oude vriend aan
Noodles wat hij al die jaren (sinds de verhaallijn in 1933) heeft
gedaan. “Ik ben vroeg gaan slapen,” antwoordt Noodles, wat zowaar
een verwijzing is naar Prousts ‘A la recherche du temps perdu’. Een
titel die meteen het hele verhaal mooi samenvat: Noodles is op zoek
naar zijn verloren tijd.

Lees verder op
pagina 2 van deze recensie…

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in