The A-Team




Tyler Durden kon het mooi uitleggen in ‘Fight Club’: “You
are not a demographic”,
klonk het uit zijn megafoon, maar
natuurlijk zijn we dat allemaal wel. Iedereen behoort tot een
marketinggroep, hoewel het wel zo netjes is om je daar tegen te
verzetten, al was het maar voor de vorm. Mijn eigen
demographic: midden-tot-late twintigers die verondersteld
worden om behoorlijk kapitaalkrachtig te zijn (hoewel dat fameus
tegenvalt, believe you me), maar nog geen kinderen te
hebben, zodat ze veel geld overhouden voor allerhande
hebbedingetjes. Aan mij en mijn leeftijdsgenoten probeert men alles
te verslijten waar je zogezegd grieten mee kunt versieren (breng
snel nog een retro-auto op de markt!) of allerhande technologische
prullen die je nergens voor nodig hebt, maar die gewoon handig
inspelen op ons collectief boys with toys-complex (zoals
daar zijn: de iPhone, de iPad en de iDontneedthis). Dat en
eighties nostalgia. Màn, wat proberen ze de laatste jaren
te incasseren op onze heimwee naar de jaren tachtig. In muziek,
mode en films is het decennium van Reagan en JR weer helemaal
terug. Het meest recente bewijs: de filmversie van ‘The A-Team’, de
tv-serie die u zich allemaal herinnert omdat ze in de beginjaren
van VTM vertoond werd, vlak na de Kinderclub met Lynn Wesenbeek.
(Op maandag was het trouwens altijd dubbele fun, omdat er dan ‘s
avonds na Videodinges ook ‘MacGyver’ was – en waar blijft de
filmversie daarvan?)

Kortom, ik ben ook maar lid van een doelgroep, net als iedereen,
en een vaag terugverlangen naar die tijd, dat themamuziekje, die
jeep die overkop ging en het vrolijk consequentieloze geweld, is
ook mij niet vreemd. Dat verklaart wellicht waarom ik me zo
geamuseerd heb met ‘The A-Team’, ondanks z’n overduidelijke
gebreken als film. Dit is de ultieme boys with toys-film,
maar dan wel met toys die zo’n honderd miljoen dollar
hebben gekost en dan ook navenant cool zijn wanneer ze
ontploffen.

Het verhaal is eigenlijk irrelevant, maar als je voorbij de
vliegende tanks en zinkende vrachtschepen kunt kijken, zul je
merken dat er één is. Min of meer dan toch: het komt er op neer dat
Hannibal Smith (Liam Neeson), Face Peck (Bradley Cooper), B.A.
Baracus (Quinton ‘Rampage’ Jackson) en Howling Mad Murdock (Sharlto
Copley, van ‘District 9’) vier elitesoldaten zijn die aan het einde
van hun dienst in Irak de opdracht krijgen om de drukplaten voor
valse Amerikaanse dollars te recupereren. De opdracht loopt mis,
het A-Team wordt verraden en voor ze het weten, worden ze er van
beschuldigd hun overste te hebben vermoord en zelf de platen
achterover te hebben gedrukt. Het team vliegt de bak in, maar
uiteraard duurt het niet lang voordat ze daar weer pleite zijn om
hun naam te zuiveren en er en passant voor te zorgen dat
er nergens snode Arabieren valse dollars kunnen fabriceren. Komen
ook nog kijken: Jessica Biel als overheidsagente die (uiteraard)
een boontje heeft voor Face en Patrick Wilson als slijmerige
CIA-agent.

Maakt niet uit. In principe valt het hele verhaal van ‘The
A-Team’ samen te vatten door het openingstekstje dat je steeds
hoorde aan het begin van elke aflevering van de tv-serie:

In 1972, a crack commando unit was sent to prison by a
military court for a crime they didn’t commit. They promptly
escaped from a maximum security stockade to the Los Angeles
underground. Today, still wanted by the government, they survive as
soldiers of fortune. If you have a problem, if no-one else can
help, and if you can find them, maybe you can hire the
A-Team.

Vervang “1972” door “2009” en Los Angeles door locaties als
Frankfurt en je bent er wel zo ongeveer. ‘The A-Team’ is een
franchise starter die twee uur lang toewerkt naar het
uitgangspunt van de serie, waardoor de details (welke misdaad
zouden ze gepleegd hebben, wie was er echt verantwoordelijk)
uiteindelijk willekeurige variabelen zijn in de optelsom. Waar het
over gaat, is dat ze aan het einde samen ontsnappen, op de vlucht
voor de autoriteiten, klaar om het ene avontuur na het andere te
beleven, tot het publiek het ooit beu wordt.

Regisseur van dienst is Joe Carnahan, die in 2002 Hollywood werd
binnengehaald met het flikkendrama ‘Narc’. Uit die film werd
duidelijk dat Carnahan héél graag de volgende Tarantino of Scorsese
wilde worden, zonder dat hij daar al klaar voor was. Ondertussen
bleef de grote doorbraak uit, waardoor ‘The A-Team’ waarschijnlijk
het beste en het slechtste was dat hem kon overkomen. Het beste,
omdat hij nu eindelijk een film heeft gemaakt die geld opbrengt
(wat altijd handig is als je wilt blijven werken), en het slechtste
omdat hij elk greintje eigenheid dat hij had, uiteraard heeft
moeten inleveren toen hij tekende om deze studio
blockbuster
te maken.

Is het een leuke studio blockbuster? Best wel. In
tegenstelling tot de meeste actiefilms van de laatste jaren, voelt
Carnahan in ieder geval niet de behoefte om zichzelf dodelijk
serieus te nemen (nog ‘Robin Hood’, iemand?). De tong zit stevig in
de kaak, en het sfeertje is luchtig zonder dat er overdreven wordt
met de knipoogjes. Er wordt dus goddank niet van ons verwacht dat
we plots de psychologische trauma’s van B.A. Barracus serieus gaan
nemen – lord knows wat Christopher Nolan hiermee zou
hebben aangevangen. Het verhaal wordt niet samenhangender van die
leutige sfeer, maar je zou er nog van opkijken hoeveel je een film
wilt vergeven als je merkt dat de makers er zelf ook maar een
beetje mee zitten te lachen.

Net zoals de acteurs dat doen – de cast weet een goede toon te
treffen, die ironisch is zonder kluchtig te worden. Ze weten dat
het allemaal onnozel is, maar ze houden zich net serieus genoeg
opdat de gemiddelde twaalfjarige het niet door zou hebben.
Uitschieters zijn Sharlto Copley als Murdock (hoewel zijn rol daar
natuurlijk ook voor ontworpen is) en een verrassende Patrick Wilson
als slechterik. Hij lijkt geen vanzelfsprekende keuze voor zo’n
rol, maar de manier waarop hij CIA-schurk Lynch neerzet als een
groot, venijnig kind, is echt lollig.

Voornaamste punt van kritiek – maar dat is er dan ook één dat
kan tellen – is de rommelige manier waarop de actie in beeld wordt
gebracht. Carnahan laat zich verleiden tot al de typische
onhebbelijkheden van recente actiefilms: één en al close-ups,
aangevuld met een supersonisch snelle montage, zodat je geen flauw
idee hebt wie zich waar bevindt of wat er aan de gang is. De
regisseur probeert dat probleem gedeeltelijk op te lossen door over
en weer te monteren tussen de actie zelf en de scène waarin
Hannibal het plan uitlegt, zodat we als het ware gaandeweg een
verklarende commentaar krijgen bij wat we zien. Leuk idee, maar een
wide shot hier en daar zou veel meer hebben uitgehaald.

Met chaotische actiescènes en een nog chaotischer verhaal (waar
ging heel die openingssequens in Mexico nu precies over?) kun je
‘The A-Team’ eigenlijk onmogelijk goeie cinema noemen. Maar de
zelfrelativerende toon werkt ontwapenend en de acteurs sleuren het
hele ding over de eindmeet. Twee bollen en half voor de film zelf,
plus een halfje uit nostalgie. Maar voor de onvermijdelijke
sequel mogen ze gerust iemand zoeken die wat meer kaas
heeft gegeten van choreografie.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in