The Engines + Digital Primitives :: 28 maart 2010, KC BELGIE (Hasselt)

Zondag was een hoogdag voor liefhebbers van avontuurlijke jazz in Hasselt. Wat de affiche al voorspelde, werd door de twee concerten nogmaals onderstreept: bands die ongeveer in hetzelfde vaarwater zitten, kunnen er toch in slagen om een totaal verschillende ervaring te bieden.

Bij The Engines heb je te maken met vier zwaargewichten die er elk in geslaagd zijn om tot de virtuozen van hun respectievelijke instrumenten gerekend te mogen worden. Drummer Tim Daisy en saxofonist Dave Rempis bewezen met The Vandermark 5, maar ook daarbuiten, bijzonder onderlegde muzikanten te zijn met een enorme bagage én gezonde zin voor avontuur. Dat is iets waar het ook hun kompanen Jeb Bishop (trombone) en Nate McBride (bas) niet aan ontbreekt. Het recent verschenen Wire and Brass laat een band horen die resoluut de kaart van de exploratie trekt, wat leidt tot taaie, maar creatieve muziek, die de luisteraar uitnodigt om de verwachtingen opzij te schuiven en mee te stappen in een avontuur van onvoorspelbaarheid en de dynamiek van het moment.

Zoals we hadden kunnen verwachten werd er niet afgetrapt met forse statements. Het was vooral zoeken, waarbij Rempis, die afwisselde tussen tenor en alt, zijn troepen dan wel aanvoerde, maar nooit echt domineerde of stuurde. Bij het eerste nummer kwamen de collectieve kwaliteiten echter niet uit de verf: de song leek een beetje ter plaatse te trappelen en kende te weinig scharniermomenten om echt indruk te maken. Dat gebeurde wel na de voorstelling van de muzikanten. Plots leek het ijs gebroken en met “Free Range” ging de energiemeter plots in het rood en zagen we een veel gedrevener band. Hecht en kleurrijk samenspel, met hier en daar ook uitmuntende passages: Rempis liet z’n vingervlugge solo’s voor wat ze waren en pakte vooral uit met expressieve uitbarstingen die steeds antwoord kregen van Bishop, die dan weer iets ingetogener speelde.

Die laatste hield zich ook even bezig met knopjesdraaierij, al was het niet geheel duidelijk wat dat toe te voegen had aan het concert. Dan liever McBride’s experimenten, zowel op contra- als elektrische bas. De man viel vooral op door de indrukwekkende diversiteit van stijlen en methoden, gaande van traditioneel gepluk, gejank met een strijkstok en stevige distortion. En dat is meteen ook onze enige kritische bedenking bij dit optreden: er was een weldaad aan indrukwekkende wendingen, individuele solo’s (vooral Daisy verdient het om nog eens vermeld te worden) en meeslepende passages, maar als geheel klonk de band niet steeds even overtuigend en gefocust. Of toch niet zo overtuigend als we gehoopt hadden. Misschien het bewijs dat het geheel soms ‘maar’ even groot is als de som van de afzonderlijke delen.

Met Digital Primitives ging het net de andere kant op. Had de eerste band soms iets afstandelijks en cerebraals, dan ging het er bij dit trio veel gemoedelijker en complexlozer aan toe. Veel heeft natuurlijk te maken met de aanpak en wortels van de band. Het draait niet zozeer om tegen de avant-garde aanschurkende experimenten met compositie en improvisatie, als om diep in blues en oerjazz gewortelde roots music die even charmant als persoonlijk is. Assif Tsahar, op basklarinet en tenor sax, zou in elke andere band de meest opvallende muzikant zijn, maar niet bij Digital Primitives, waar vooral de verschijning van multi-instrumentalist Cooper-Moore er eentje is om niet te vergeten.

Die excentriekeling, zelf ook een begenadigd free jazzpianist, kan zich binnen dit trio immers helemaal laten gaan en gebruik maken van een resem onwaarschijnlijke instrumenten, waarvan een aantal zelf gemaakt. Hij gebruikte een mouth bow, een diddley bow, een paar fluiten en een soort zelfgemaakte gitaar met een grofkorrelige sound die het groepsgeluid meteen een vuil randje bezorgde. Het spel van de drie was al even divers als de instrumentatie: ze schipperden van ingetogenheid (weinig saxofonisten kunnen zo’n mooi evenwicht vinden tussen kinderlijke eenvoud en delicate schoonheid als Tsahar) naar energie (Taylor pakte in het begin van de set al uit met wat waarschijnlijk dé solo van de avond was) en extase. Zo was het mooi om te zien hoe Tsahar en Cooper-Moore elk aan een kant van Taylor postvatten om elkaar op te jutten.

In tegenstelling tot The Engines maakten deze drie ook verdomd aanstekelijke muziek, het soort waarvan je ongemerkt met je gat begint te schuifelen. Het concert was dan wel minder songgericht dan de muziek op Hum, Crackle & Pop (2009), het spelplezier was er niet minder om. Dit was een concert dat spontaan en soepel vloeide en zich voorbewoog met een organische vanzelfsprekendheid. Het was dan ook jammer dat Digital Primitives er na dik vijftig minuten een punt achter zette, al was het zingen van “I’m so happy to be alive” een verrassend en hilarisch einde.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in