Lamb Of God :: 16 februari 2010, AB

Lamb Of God is op relatief korte tijd een van de vaandeldragers van een nieuwe generatie metalbands geworden dankzij een uitstekende livereputatie en dito studiowerk. Maar toch begint de formule van American metal’s finest hier en daar wat sleet te vertonen.

Zoals dat wel vaker de gewoonte is met metalbands, bracht Lamb Of God voor deze Europese tour een half circus aan voorprogramma’s op de been. En de kwaliteit durfde al eens te variëren. Between The Buried And Me slaagde er echter meteen in om onze aandacht te trekken. De band citeert uit een intrigerende waslijst aan invloeden, de jazzy afsluiter “White Walls” op kop. Zo hoorden we naast enkele toetsen van blues en funk ook de polyritmes van Meshuggah, het atmosferische van Opeth, de math metal van Dillinger Escape Plan en de zin voor experimentele epiek van Textures. Dat alles aangevuld met af en toe een simpele metalcorebreak, zoals we die van een Chimaira gewoon zijn, en Maideneske dubbele gitaarpartijen. Een bont allegaartje dus, en dat resulteerde in nummers die ons petje vaak ver te boven gingen. Die mix laat zich moeilijk tot een gestroomlijnd geheel kneden, waardoor het intensieve compositorische bochtenwerk binnen de verschillende nummers zelf soms wat gratuit overkwam. Wat er ook van zij, Between The Buried And Me toonde een lovenswaardige zin voor avontuur en slaagde er met zijn veeleisende muziek toch maar mooi in om de zaal mee te krijgen — met nog voor de klok van zeven een eerste crowdsurfer.

Zo uitdagend als Between The Buried And Me, zo irritant kwam August Burns Red over. Want hoe noem je het anders als een bende broekies met spannende jeans zich vergrijpt aan volsagen idiote, stuiterende stage moves en synchroon headbangen met ontspoorde Beatlekapsels? Het songmateriaal was al evenmin van die aard om ons overstag te doen gaan, want compleet inwisselbaar en steeds weer terend op diezelfde platgespeelde hardcorebreaks en generische, dissonante riffs. Absoluut te mijden. Onzin. Urgh. Dan liever Job For A Cowboy. Inmiddels hyperpopulair in Amerika, maar het is maar zeer de vraag of het in Europa ook zo’n vaart zal lopen. Niet dat we ons niet geamuseerd hebben — daarvoor was de Bon Scott-stem van de afwisselend laag gruntende en hoog uithalende zanger Jonny Davy te geslaagd — maar veel nieuws bracht deze (zij het oerdegelijke) deathcore-band niet op tafel.

De gastheren van de avond, Lamb Of God, hadden aanvankelijk wat moeite om de vlam in de pan te krijgen. Een barslechte geluidsmix wrong de nochtans enthousiast onthaalde opener “The Passing” vakkundig de nek om. Wat waarschijnlijk een vlammende start had moeten voorstellen, klonk jammer genoeg eerder als een transistorradio die ergens uit een open raam stond te spelen. Die klankmix is een echt zorgenkind voor Lamb Of God: van de pompende geluidsmuur die de band op cd steevast optrekt, blijft live zelden meer over dan een paar flinterdun afgestelde gitaren en een veel te dominante basdrum.

Gelukkig bleef het euvel deze keer beperkt tot het eerste kwartier, waarna Lamb Of God toch op volle kracht kon uithalen met een set waarin de nieuwere nummers van het vorige jaar gereleasete Wrath een opvallende rol speelden. “Set To Fail” en “Contractor” toonden zich op plaat reeds uiterst doeltreffende splinterbommen, maar het waren vooral de toen minder overtuigende nummers die vanavond een ware transformatie ondergingen. “Dead Seeds” en “Grace” (de uitsmijter “This is where the end begins” is gesneden op maat van uit hun dak gaande festivalweides) kregen plots een geheel eigen tronie en konden zich meten met ouwe kleppers als “Now You’ve Got Something To Die For”, “Ruin” en “Walk With Me In Hell”.

Terwijl een stijgend aantal schoenen en wc-rollen het luchtruim koos, sneed Lamb Of God met de magistrale dreigbrief-met-literaire-aspiraties “Omerta” het hoogtepunt van de avond aan. Zinnen als “Words can be broken, so can bones” en “Free speech for the living, dead men tell no tales” werden door het voltallige publiek meegescandeerd als was het een gebed in de zondagochtendmis. Het tergende midtempo ritme van de hoofdriff deed de rest. Jammer wel dat zanger Randy Blythe tegenwoordig het sérieux niet meer kan opbrengen om van de spoken word-intro dezelfde kippenvelervaring te maken als enkele jaren geleden.

Het was niet de enige keer dat de routine even de bovenhand nam. Lamb Of God hoeft zich al een album of twee niet meer te bewijzen, en lijkt dat zelf ook stilaan te beseffen. Er zijn minder schenen om tegen te schoppen, en tegenwoordig sjokt gitarist Willie Adler doodgemoedereerd over het podium en paradeert hij gewoon in de stars and stripes die de band zes jaar geleden inspireerden tot de bevlogen tegenreactie van Ashes Of The Wake. En ja, het even apocalyptische als atypische “Reclamation” zorgde even voor een ander geluid, terwijl een scheurend solo-intermezzo van de gitaristentandem Adler-Morton aantoonde dat zulke experimentjes wel degelijk een meerwaarde kunnen hebben, maar voor de rest ging alles eigenlijk zijn gewone gangetje.

Natuurlijk mocht “Black Label” het licht uitdoen en natuurlijk was er die spectaculaire wall of death tijdens het slow-motionbrugje, waarbij de zaal zich tot net voor de p.a. in tweeën deelde om vervolgens by the count of four als gekken op elkaar in te beuken. Ontegensprekelijk heel erg leuk allemaal, maar het wordt stilaan tijd voor iets anders. Wie zich daar niet aan stoort, zag vanavond een oerdegelijke metalshow. Voor het verrassingseffect moet u tegenwoordig echter elders zijn.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in