Polar Bear :: Peepers

Jazz en rock, het blijft een vreemd huwelijk. Al te vaak is het een excuus voor rockers om zich te buiten te gaan aan technisch virtuoos, maar weinigzeggend gepingel, of voor jazzmuzikanten om te laten horen dat ze gewoonweg niet kunnen rocken zonder écht loos te gaan. Nu en dan wil het echter lukken bij een band die een geslaagd evenwicht tussen de twee vindt, met de uitdagingen en de bonussen die de respectievelijke genres bieden. Bij het Britse Polar Bear is dat het bescheiden geval.

De Londense band (niet te verwarren met het gelijknamige nevenproject van één van de Jane’s Addiction-leden of jengelpunkers Polar Bear Club) onder leiding van drummer-met-het-uitzinnige-kapsel Sebastian Rochford timmert intussen al een jaar of zeven aan een parcours dat vooral kritisch succes opleverde. Het vijftal viel herhaaldelijk in de prijzen en zijn mix van jazz, rock, elektro, funk en dansinvloeden leverde in eigen land steevast positieve reacties op. In België viel daar weinig van te merken, want de band blijft hier ondanks z’n vrij toegankelijke en avontuurlijke muziek een onbekende.

Dat is onterecht, want Peepers laat een fraaie wisselwerking horen van melodie en ritme, experiment en traditie, jazz en rock. Zelfs als de band even mooi buiten de lijntjes kleurt, zoals in de korte erupties “Bump” en “Scream” en “Hope Every Day Is A Happy New Year”, de meest gewaagde cocktail van rock, jazz en elektronica op de plaat, dan kan je niet voorbij het gevoel dat de band er niet een is om mensen voor het hoofd te stoten. Peepers is stilistisch dus niet gewaagd of vernieuwend, al spreidt het wel een verrassende variatie aan geluiden en stijlen tentoon.

Zo biedt het een afwisseling van met pop flirtende brokken van een paar minuten die op de heup-én lachspieren werken, maar gaat het even later een meer ingetogen weg op met een mélange van fluisterelektronica, pastorale saxlagen en simpele, hypnotiserende ritmes die je met wat goeie wil postjazz kan noemen. “Happy For You” leidt de plaat in met een speelse groove die zo gepikt lijkt van Motorpsycho’s “Whip That Ghost” (en die was dan weer geleend van The Allman Brothers’ “Whipping Post”). Daarover krijg je dan de tenorsaxen van Pete Wareham en Mark Lockheart, die complexloos erop los blazen alsof ze net een carrière bij de schoolfanfare erop zitten hebben.

De luchtigheid wordt verder gezet met het stuiterende “Bap Bap Bap” (perfecte titel!) en “Drunken Pharoah”, dat eerder teert op verwrongen ritmes en saxgeblaat dan verwijzingen naar free jazz-gigant Pharoah Sanders. Tot daar lijkt het alsof de band er vooral een is van de geinige fun en extraverte crossover. Maar dan krijg je ineens het een-tweetje “The Love Didn’t Go Anywhere” en “A New Morning Will Come”. Is die eerste haast een verwijzing naar de in ochtendmist gehulde parels van de jonge Robert Wyatt, met lyrische blazers en zichzelf wegcijferende drums, dan leunt het tweede aan tegen de donkere triphop die vijftien jaar geleden uit Bristol kwam. Minimalistisch, mysterieus en doelgericht als een trance.

Na die rustpauze wordt uitgepakt met de titeltrack, een aanstekelijke brok souljazz, die haast te luchtig en vrolijk lijkt voor een stel muzikanten die er zo goed in zouden slagen om een plaat vol duistere, tegendraadse grootstadsjazz op te nemen. Maar het wérkt, want zonder het te beseffen zit je een paar songs verder, middenin een trio dat de plaat afrondt met een kwartier droomjazz, in zichzelf opgesloten als het geneuzel van een in zichzelf mompelende slaapwandelaar, en toch weer verleidelijk ondanks al z’n schijnbare eenvoud. Een overrompelende plaat is Peepers zeker niet, daarvoor kiest de band misschien net iets te veel voor het bekende en voel je dat ze nu en dan eigenlijk beter kunnen. Anderzijds is het wel een evenwichtige en frisse plaat, eentje die je uit de kast kan halen om nieuwe vrienden warm te maken voor het genre.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in