Califone :: All My Friends Are Funeral Singers

Geen idee hoe dat bij u zit, maar wij hebben het wel voor bands die halsstarrig weigeren om zich te laten labelen en muilkorven, die wars van trends hun ding blijven doen, tegen de stroom in. Califone bewandelt intussen al negen platen lang het pad der einzelgängers en bewijst met All My Friends Are Funeral Singers dat zijn gemuteerde rootsmuziek nog steeds steek houdt.

Het straffe is dat All My Friends Are Funeral Singers eigenlijk bedoeld is als soundtrack bij de gelijknamige film die Tim Rutili (een voormalig filmstudent) dit jaar maakte. Live speelt de band deze muziek bij vertoningen van de film, al is het ook de bedoeling dat die in de loop van volgend jaar een release krijgt. In tegenstelling tot vroegere platen als Deceleration One en Two, staaltjes van filmische improvisatie, is dit album echter songgericht. Zelfs als het geen soundtrack was, dan was dit een hoogtepunt in de carrière van de band.

Een groot publiek zal Califone nooit bereiken, daarvoor is zijn sound te grillig, lijken veel songs te gefragmenteerd, onaf of tegendraads. Nochtans onthullen meerdere beluisteringen van ouder en nieuw werk dat het nooit de bedoeling was om conventionele songs onderuit te halen met geluiden en stemmen die plots opduiken, gezoem, het gebruik van vreemde instrumenten. Die maken net een integraal deel uit van de Califone-aanpak, worden betrokken bij het ontstaansproces. Het zijn immers niet enkel gitaar, bas en drums die aangewend worden. Naar goede gewoonte wordt door de multi-instrumentalisten een heel arsenaal aan mogelijkheden verkend, met piano, cello, mandoline, banjo, marimba, synths, allerhande elektronica en instrumenten waar we nooit eerder van hoorden.

Het is een eclectische melange die in combinatie met Califone’s rootsgerichte aanpak leidt tot vergelijkingen met Centro-matic, Sparklehorse, Tom Waits en Wilco, maar bovenal Califone blijft. Niemand anders had immers kunnen afkomen met een song als “Giving Away The Bride”, de taaie opener met z’n dreigende, funky basvervormingen, sinistere vocalen en potten-en-pannensound. Opnieuw muziek die met een been in de oeroude traditie staat en die combineert met onwereldse geluiden die eigentijds klinken zonder goedkoop effectbejag dat binnen een paar jaar achterhaald klinkt.

Het is even doorbijten, maar daar staat wel tegenover dat de rest van de plaat minder taaie kost biedt, en nu en dan zorgt voor enkele van de mooiste dingen die we recent hoorden: zo is “Polish Girls” diep vanbinnen gewoonweg een pure popsong en is ook “Buñuel”, ondanks z’n toepasselijke titel (alle platen van Califone hebben een vaag surrealistisch randje) een prachtige rootssong, zij het met een gierende finale. De band houdt er nu eenmaal van om bestaande genres en stijlen te voorzien van extra ingrediënten.

Regelmatig kiest de band echter ook voor een meer directe aanpak, wat soms de beste resultaten oplevert: zo behoort “Funeral Singers” ongetwijfeld tot de ontroerendste songs van het jaar en gaat het stampvoetende, van handengeklap voorziene “Ape-Like” ook al geruime tijd mee in ons achterhoofd. Maar het zijn slechts voorbeelden in een plaat die manoeuvreert van spookachtige folk (“1928”) en breekbaarheid (“Evidence”) via blues (“Salt”) en geluidscollages tot bezwerende oerfolk (“Better Angels”).

Een hoogtepunt, zoals “The Orchids” dat was op Roots & Crowns, valt er hier niet te rapen, maar Califone bewijst niet enkel opnieuw dat consistentie in zijn oeuvre ingebakken zit, maar ook dat elke plaat op zich overtuigt als een geheel van soms excentrieke en vaak memorabele portretten en vignetten met kleine scheurtjes en vermolmde randjes die een apart verhaal in zich dragen. Een band die zo veel creativiteit, gevoel, fantasie en oprechtheid in z’n muziek weet te leggen moet gekoesterd worden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in