Harry Potter and the Half-Blood Prince




Je zou denken dat nu het laatste boek in de ‘Harry Potter’-reeks
al drie jaar geleden is verschenen en iedereen, na lang drummen in
de rij aan de Fnac om middernacht, definitief weet hoe het is
afgelopen met Harry, Ron, Hermione en de dozijnen andere
personages, de interesse in de resterende films net dat tikkeltje
zou zijn afgenomen. ‘Harry Potter’ was één van de ultieme
succesverhalen van het Tony Blair-tijdperk, maar let’s face
it,
het verhaal is verteld en andere jeugdfranchises staan al
te dringen om het over te nemen – ‘Twilight’ solliciteert zo
openlijk naar de status van “volgende Harry Potter” dat je er bijna
misselijk van wordt (al kan dat ook iets met het kapsel van Robert
Pattinson te maken hebben). Maar niks ervan: ‘Harry Potter and the
Half-Blood Prince’ is alweer records aan het verbreken aan de
box office en werd door de gebruikers van imdb alweer de
top 250 ingestemd (niet dat dat zo’n prestatie is). Zo zie je maar:
eens een succesvolle reeks een trouw publiek weet op te bouwen,
blijft dat publiek ook plakken tot het einde.

Met al dat heb ik de reeks altijd kunnen waarderen als een soort
guilty pleasure. De boeken wisten me, ondanks mezelf, toch
mee te slepen en hoewel ik eigenlijk beter had moeten weten, was ik
ook één van de eersten om elk volgend deel te gaan kopen. Misschien
ligt het eraan dat J.K. Rowling van haar tovenaarswereld een
herkenbare parodie van de onze weet te maken. ‘Harry Potter’ is
even kleurrijk als ‘Lord of the Rings’, maar het neemt zichzelf
goddank veel minder serieus, en het gaat tenminste over emoties die
de lezer/kijker ook kent (verliefdheid, mensen verliezen die je
nabij staan, angst voor iets dat je te doen staat, geconfronteerd
worden met racisme enzovoort). De non-believers zullen in
dit laat stadium niet meer van gedachten veranderen en altijd
blijven klagen dat het enerzijds te lang duurt maar dat er
anderzijds niet genoeg uitleg wordt gegeven om alles te kunnen
volgen. Dat er enerzijds te veel actie in zit, en anderzijds te
veel romantische verwikkelingen tussen de kinderen. Ach ja – we
zitten ondertussen aan deel 6 van een zevendelige reeks (hoewel het
zevende boek verdeeld zal worden over twee films). Da’s tijd genoeg
om te weten of je de reeks al dan niet kunt pruimen. Gedraag je
overeenkomstig. Voor wie dat wél kan, is ‘The Half-Blood Prince’
één van de betere delen. Ik ga me niet aan een rangschikking wagen,
maar hij zou ergens bovenaan staan.

Boze tovenaar Lord Voldemort is terug, en nu mag de hele
tovenaarsgemeenschap het weten. Samen met zijn Death Eaters
terroriseert hij zowel zijn eigen wereld als die van ons met
moorden en aanslagen, allemaal in de hoop definitief de macht te
kunnen grijpen en een raciale zuivering te kunnen uitvoeren onder
de tovenaars. Lucius Malfoy wordt met een geheime opdracht van
Voldemort terug naar Hogwarts gestuurd, terwijl Harry door heel wat
mensen gezien wordt als de chosen one, die voorbestemd is
om de slechterik tegen te houden. Terwijl de dreiging groter wordt,
beseffen Harry en zijn vrienden blijkbaar dat ze onderhand al 16
zijn en dat het hoog tijd wordt om eens grondig seksueel te
ontwaken: Hermione is verliefd op Ron, Ron is te dom om het te
merken en Harry zelf ontwikkelt zich tot een lid van de meest
verachtelijke mensensoort op aarde: iemand die de zus van zijn
beste maat binnendoet. De hond.

Eén van de mooie dingen aan de ‘Harry Potter’-reeks is dat je
een blik krijgt op een wereld die uit meer bestaat dan alleen maar
de plot. De overkoepelende intrige rond de terugkeer van Lord
Voldemort bezorgt de reeks z’n drive, maar daar binnenin zie je hoe
de personages moeten blokken voor hun examens, onderlinge ruzies
hebben, verliefd op elkaar worden en ga zo maar door. Je kunt dat
soap noemen, maar goed, dan is het leven ook maar een soap. Nadat
hij afwezig was voor het wat al te gejaagde en oppervlakkige ‘Order
of the Phoenix’, is vaste scenarist Steve Kloves terug om dit deel
te pennen, en het verschil is merkbaar. Kloves kent de personages
en heeft hier geen schrik om ongeveer anderhalf uur van zijn 150
minuten speelduur te wijden aan de romantische verhaallijnen – hij
geeft zijn personages ruimte om te ademen en om gewoon even puber
te zijn. Er zit betrekkelijk weinig actie in de film: het opent
spectaculair en uiteraard is er de finale, die opvallend duister en
deprimerend durft te zijn. Maar in de tussentijd krijgen we lange
sequensen waarin de drie hoofdpersonages simpelweg geile
zestienjarigen mogen zijn, voor wie tongen draaien een pas ontdekt
nieuw levensdoel is. Wie heeft er zin om naar dergelijke banale
puberperikelen te kijken, vragen kritikasters zich af. Wel…
pubers, om te beginnen. Zelfs iedereen die dat stadium al wel even
ontgroeid is, zou hier en daar een prik van herkenning moeten
voelen. Zoals Dumbledore het zegt: “Ah, to be young again and
feel love’s keen sting.”
Die aanpak legt de nadruk in dit deel
duidelijk op de personages, meer dan op de plot, wat in de laatste
twee afleveringen ongetwijfeld nog zal renderen. Waar de meeste
blockbusters zich haasten om toch maar zo snel mogelijk van de ene
explosie naar de andere te hollen, nemen Kloves en regisseur David
Yates hun tijd om de emoties van de personages mee te geven –
set up, heet zoiets dan, een kunst die bijna verloren leek
in de moderne blockbuster, die teert op oneindige pay
off.

Het helpt dat Daniel Radcliffe, Emma Watson en Rupert Grint
gaandeweg net iets beter zijn gaan acteren. Je mag niet vergeten
dat die drie samen zijn opgegroeid op de ‘Harry Potter’-sets: ze
kennen elkaar echt goed, en dat is te merken in hun interactie op
het scherm. Misschien voor het eerst in de reeks gedragen ze zich
onderling als drie vrienden – ze geven elkaar vriendschappelijke
meppen en raken elkaar aan: hun lichaamstaal is die van mensen die
zich oprecht op hun gemak voelen bij elkaar. En hoewel Radcliffe,
Watson en Grint nog niet bepaald een ontzagwekkende diepgang aan
hun rollen kunnen geven, doen ze je wel geloven in die band die ze
met elkaar hebben. De bijrollen blijven echter de show stelen: Alan
Rickman krijgt ditmaal meer te doen als Severus Snape, en zijn
ironische vertolking (nóg trager spreken, Alan!) blijft een genot
om naar te kijken. Jim Broadbent is de belangrijkste nieuwkomer en
weet zijn personage opvallend sterk te grondvesten in de realiteit.
Maggie Smith en Robbie Coltrane worden dan weer gedegradeerd tot
cameo’s, wat een jammer gevolg is van de inkortingen in het
script.

De climax, in een lugubere grot vol bizarre zombieachtige
wezens, flitst helaas wat al te snel voorbij, zodat liefhebbers van
de betere tovenaarsactie misschien op hun honger blijven zitten. En
natuurlijk zullen de Potter-puristen wel weer klagen dat er veel te
veel uit het boek verwijderd werd (er wordt niet eens omstandig
uitgelegd wat een beozar is!). Maar iedereen die van de reeks kan
genieten zonder er zijn perspectief op te verliezen (het is een
fantasyreeks, mensen, lighten up), zal hier een visueel
interessante, sfeervolle en emotioneel verrassend oprechte film
zien.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in