Underworld :: Rise of the Lycans




USA / 2009 / 92 min.

Geen idee wie er nu net aan het wachten was op een vervolg, laat
staan een prequel, van ‘Underworld: Evolution’ – op zich
ook al niet het meest essentiële werkstuk uit de annalen van de
cinema – maar kijk, hier is er dan toch eentje. De derde in de
reeks (het weinig hoopgevend getitelde ‘Rise of the Lycans’) is
ondanks z’n wannabe-hippe vormgeving een oerklassiek en
verdammt cliché verhaaltje over een onmogelijke liefde in
tijden van oorlog. De film is ontegensprekelijk slecht gemaakt,
zowel qua verhaal als qua actie, maar met verstand op nul en
bullshitmeter op 11, valt hier op een druilerige zaterdagavond nog
wel enigszins van te genieten.

‘Underworld: Rise of the Lycans’ legt de basis voor het conflict
waar men in de originele – nu ja – films mee van start zou gaan: de
schijnbaar eeuwigdurende strijd tussen de vampiers – alombekende,
rondfladderende en bloedslurpende sloebers – en de ‘lycans’, een
mengvorm tussen weerwolven – een wollige kruising tussen mens en
wolf – en mens. Euh? Inderdaad. Logica is nooit de sterkte geweest
van actiehorror. Wat we dus krijgen, is de (weinig spectaculaire)
opkomst van Lucian, de latere leider van de lycans. Concreet wordt
dat uitgewerkt in de traditie van de underdog die opkomt voor zijn
volk en zich verzet tegen zijn malafide meesters. Mozes avant
la lettre
, dus, maar dan met monsters en gesitueerd in een
krocht dat lijkt op een kruising tussen een middeleeuwse burcht en
de gladiatorengewelven van het Colosseum, of nog, ‘Spartacus’ met
weerwolven.

Victor (Bill Nighy heeft duidelijk gemerkt dat hij in een
veredelde B-film stond mee te spelen en vindt terloops een nieuw
accent uit) is de kwaadaardige patriarch van de
vampierensamenleving. Na een cock-and-bull story over het
ontstaan van de lycans, krijgen we te zien hoe hij er niet toe in
staat was om een klein jongetje – een van de eersten die het
gemengde bloed van weerwolf en mens in zijn aderen had stromen –
van het leven te beroven. Hij neemt de jonge Lucian mee en gebruikt
het nieuwe ras als slaven om de samenleving van de bevoorrechte
(vampieren)groep te beschermen en te verstevigen. Vroeg of laat
loopt dat natuurlijk fout, zeker wanneer de jonge volwassen Lucian
hals over kop verliefd wordt. Of: ‘Metropolis’ voor
dummies, zo u wil.

Het meisje dat het hart van de heldhaftige lycan voor zich weet
te winnen, is natuurlijk niemand minder dan de bloedeigen dochter
van Victor; een plotwending die er met de haren wordt bijgesleurd,
maar toch zelfs voor een vijfjarige nog volledig voorspelbaar is,
il faut le faire. Dit element probeert men vervolgens
wanhopig te gebruiken om de film een of andere sociaal relevante
context te geven (multiculturaliteit, vermoeden we), maar is in
feite het meest hersendode stukje verhaallijn (een verboden liefde,
waar hálen ze het?) van het hele script. Al bij al is het best
geinig om te zien hoe de makers zich uitsloven om hun prul nog te
voorzien van enige bestaansreden. Een actueel element, zullen ze –
zichzelf een bemoedigende tong draaiend – gedacht hebben:
score!

De sérieux die Tatopoulos & co. zo graag in hun film willen
krijgen contrasteert ook geweldig hard met de inspanningen van de
acteurs. Aan de ene kant heb je Bill Nighy, die zo campy staat te
acteren dat Ed Wood hem spontaan een hoofdrol zou willen geven –
zie hem lijken op al die vergane B-horror gloriën van weleer! – en
aan de andere kant heb je dan Michael Sheen, die wel érg hard zijn
best staat te doen om zijn personage – half mens, half weerwolf, hé
mensen – neer te zetten als een getormenteerde ziel. Ergens
daartussenin zweeft dan nog Rhona Mitra, die heel erg graag heel
erg cynisch zou willen zijn, maar daar slechts zelden in slaagt:
net als in het fantastische ‘Doomsday’ mist ze dat natuurlijke
charisma om idiote lijnen met een vanzelfsprekende cool
over haar lippen te laten rollen – de Clive-factor, zoals men dat
bij ons wel eens durft te omschrijven.

Naast al dat gepraat (de strijd tussen onder- en bovenklasse,
het politieke gekonkel, de raciale vooroordelen – jep, aan ambitie
in elk geval geen gebrek) komt er ook af en toe een actiescène wat
tempo in de prent pompen, maar naast een overzichtsloze montage en
heel veel bliksems (om al die slechte overgangen te verdoezelen),
levert dat weinig op. Al is het wel grappig om tussen de flitsen
door (wie is dat? Wáár staat die? Is die nu dood?) opeens een shot
te zien van pakweg een kerel met een lans door zijn kaak.
Zo krijg je – gewild en ongewild – een voortdurende discrepantie
tussen een serieus verhaal over verwantschap, ras en trouw en een
volledig onzinnige, door elke porie camp uitwasemende
(check die special effects!) avonturentrip, waarbij dat
eerste dat tweede natuurlijk voortdurend in de weg zit.

Ondanks alle clichés en de ronduit gebrekkige uitvoering, weet
je gelukkig nog net waar alle personages voortdurend zijn
en wat hen drijft, hoe onnozel het ook allemaal is. Dit is weer
zo’n duidelijk voorbeeld van een film die erbij baat om
idioot te zijn. Já, hij is slecht gemaakt, já, het slaat nergens op
en já, uiteraard vinden wij dat plezierig – zij het bij
momenten. Vergelijk het misschien met een film als ‘Armageddon’:
onwelvoeglijk slecht en hemeltergend onnozel, maar als hij op tv
is, zit je toch al makkelijk een half uurtje met brede grijns mee
te kijken. Zo is het ook bij ‘Rise of the Lycans’. Een halfuurtje
volstaat in principe ruimschoots, maar als je echt niets anders te
doen hebt, kan het geen kwaad op het even te laten opstaan.

Als daar nog bijkomt dat Rhona Mitra wat wulps mag staan wezen
(laat haar een kwartier het gras maaien en wij zijn content), Bill
Nighy een glas (!) bloed opdrinkt (inclusief
bloedstraaltje langs de mond) en er een kerel komt opdraven met een
bariton waar Michael Clarke Duncan jaloers op zou zijn, dan weet je
dat ook een film met – oh, jawel – bloedarmoede, al eens kan
entertainen. Wat zou het ook, in tijden van crisis moet je af en
toe ook met weinig tevreden zijn.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in