Robert Wyatt :: Persoonlijke alchemie en politieke commentaar

Het Britse Domino-label bracht onlangs het solowerk van Robert Wyatt weer op de markt. Niet enkel een goede zaak voor nieuwsgierige muziekfanaten (LP’s én cd’s gingen immers voor ridicuul hoge prijzen van de hand op eBay), maar ook omdat de volledige trip bevestigde dat Wyatt een van onze favoriete eenzaten is, een artiest die een eigen universum creëerde dat opmerkelijk goed de tand des tijds weet te doorstaan.

Wyatt stond mee aan het roer van de vroege Soft Machine, een clubje jonge intellectuelen dat arty psychedelica, progrock en jazzexperiment probeerde te verzoenen en uitgroeide tot de meest gelauwerde band uit de befaamde Canterbury-scène (zie ook: Caravan en Gong). Net op het moment dat de band op een bredere aandacht mocht gaan rekenen nam hij de benen om een soloalbum te gaan maken, The End Of An Ear (1971). Later zou hij dit album afdoen als een mislukking. Vervolgens bracht Wyatt twee artrockalbums uit met Matching Mole. Terwijl hij werkte aan songs voor een derde album duikelde Wyatt dronken uit een raam, een val die hem voor de rest van zijn leven aan een rolstoel zou kluisteren.

Het ongeluk veranderde Wyatts aanpak radicaal en zorgde ervoor dat die zou leiden tot het onvergetelijke en onvergelijkbare Rock Bottom. Op die plaat vond de voormalige drummer eindelijk zijn stem. Opmerkelijk was de extreem persoonlijke teneur van de muziek: zelden had een artiest zich aan zo’n verregaande introspectie en beeldenvloed gewaagd en dan ook nog eens verpakt in een wereldvreemde combinatie van pop, ambient, jazz en experiment, die drie decennia later nog steeds aanvoelt als de soundtrack bij een ongrijpbare droomwereld.

Wyatts herkenbare stijl zorgde ervoor dat hij mocht rekenen op een loyale aanhang, maar het werd snel duidelijk dat hij te vreemd was voor mainstreamsucces. Hij scoorde dan wel kleine hitjes met het klassieke “Shipbuilding” (voor hem geschreven door Elvis Costello) en het verrassend conventionele “I’m A Believer” (The Monkees); zijn platen verkochten voor geen meter. Dat hij vanaf einde jaren zeventig steeds politieker werd, werd hem door het popestablishment, dat er andere prioriteiten op nahield, ook niet in dank afgenomen. De spanning tussen het persoonlijke en het politieke zou een constante blijven in ’s mans muziek en een rol spelen in de appreciatie van zijn werk en zijn belang voor de popmuziek. We volgen het parcours.

Rock Bottom (1974) is het onbetwiste meesterwerk, een tijdloos document waarop sound, woord en muzikale uitvoering op één lijn staan, een concept dat het kinderlijke koppelt aan het etherische, het poëtische aan het alledaagse en de nonsens aan wanhoop die onder de huid kruipt. Het bevat amper zes songs, maar die bestrijken zo’n breed scala aan klanken en emoties dat het een luisterervaring schenkt die lang nazindert. Songs plooien terug in zichzelf met watersymboliek (“Sea Song”, “Last Straw”), bloeien open als psychedelische euforie (“Little Red Riding Hood Hit The Road”) of verkennen totale nonsenspoëzie zoals in het gruwelijk ontroerende “Alifib” (“Burlybunch, the water mole / Hellyplop and fingerhole / Not a wossit bundy, see? / For jangle and bojangle”).

Van politieke overtuigingen is hier niets te bespeuren. Rock Bottom is een speeltuin voor geluidsavonturiers die zich ten dienste stellen van Wyatts visie. Het personeel dat Wyatt inlijfde was haast even divers als de muziek: enerzijds Canterbury/prog-bekenden Hugh Hopper, Fred Frith, Richard Sinclair en Pink Floyds Nick Mason (die ook de plaat zou produceren) en anderzijds dichter Ivor Cutler, rijzende ster Mike Oldfield en de Zuid-Afrikaanse trompettist Mongezi Feza. Veel van Wyatts albums zouden vergelijkbare resultaten opleveren, door de ambient texturen en de fragiele falsetto van de artiest (ooit omschreven als “Jimmy Sommerville on valium”), maar nooit zou hij nog eens zo’n betoverende droomwereld op poten zetten. Rock Bottom is een essentiële rockklassieker.

Ruth Is Stranger Than Richard (1975) volgde snel. De plaat klinkt even ongewoon als zijn voorganger, maar is minder coherent en serieus. Pop, jazz, wereldmuziek en onzinrijmpjes worden aaneengeschakeld in plaats van gemengd en het resultaat is op z’n minst intrigerend. De LP had een ‘Richard’-kant en een ‘Ruth’-kant, en ook al deed het een zekere intentie vermoeden, de willekeur maakte een beter begrip erg moeilijk. Het album is een terugkeer naar de speelsheid van Wyatts debuut en mist de emotionele impact van Rock Bottom, ondanks de bijdrage van Brian Eno, die in die periode menige carrière in goede banen wist te leiden. Het instrumentale “Song For Che” verscheen voor het eerste op Liberation Music Orchestra, een politiek-geëngageerde jazzplaat van Charlie Haden uit 1969, maar het is de uitzondering op een album dat het vooral moet hebben van ongebreidelde fantasie en variatie.

Het zou tien jaar duren voor Wyatt nog een regulier album uit zou brengen. In die periode zou de man steeds meer werk maken van zijn politieke engagement. Het kwam zelfs zo ver dat hij zich voor een serie singles ging wenden tot een traditie van politieke songs uit verschillende tijdperken en hoeken van de wereld. Interviews met Wyatt uit de latere seventies en de eighties gingen doorgaans vooral over zijn lidmaatschap van de Communistische Partij, een beslissing die hij nu lijkt af te doen als een verantwoorde, maar misschien wat naïeve keuze. De singles vormden in 1981 alleszins de basis voor Nothing Can Stop Us, een van de meest politiek expliciete albums ooit uitgebracht door een artiest van dit kaliber.

De redenering achter de compilatie was ook het concept van “un-misusable music”. Wyatt wilde muziek maken die door rechtse strekkingen niet gebruikt/misbruikt zou kunnen worden. Zijn legendarische cover van Costello’s “Shipbuilding” zou toegevoegd worden aan de US-versie van het album, maar is helaas afwezig op de herstelde Domino-versie. Wat er wél tussenzit is popsong “Born Again Cretin” (dat Mandela, Orwell én Naipaul vermeldt), het Spaanse “Caimanera” (ook bekend als “Guantanamera”), het aan doo-wop schatplichtige “Stalin Wasn’t Stallin’” en een versie van het door Billie Holiday bekend geworden “Strange Fruit” (een aanklacht tegen lynchings van zwarten in de VS). Zijn onwaarschijnlijke cover van Chic “At Last I Am Free” was het hoogtepunt en Nothing Can Stop Us is de piek van de geëngageerde Wyatt en een intrigerende, maar niet altijd beklijvende poging om pop en politiek te combineren.

Met Old Rottenhat (1985) vinden we Wyatt nog steeds in extreemlinkse wateren terug, al is het album volledig anders opgevat dan zijn voorganger. Was Nothing Can Stop Us een stilistisch diverse plaat die een ode wilde zijn aan jarenlange linkse initiatieven en aanklachten, dan is het narcotisch monotone Old Rottenhat een dissectie van wat er allemaal fout liep in het Reagan-tijdperk. Old Rottenhat klinkt als een extreem persoonlijk, ingetogen werk dat teert op melancholische synthdrones en coherente sfeer, maar ze levert commentaar op binnenlandse én buitenlandse politiek, op vakbonden, socialisme en het klassensysteem tot de genocide in Oost-Timor en de geschiedenisvervalsing van “The United States Of Amnesia”. Een zware boterham en een vrij bittere stand van zaken, maar het is tevens een van ’s mans meest ondergewaardeerde platen.

Werd Old Rottenhat doorgaans beschouwd als een stap terug voor Wyatt, dan was Dondestan (1991)opnieuw een staaltje van de artiest en grande forme. Na een tijdelijk verblijf in Spanje keerden Wyatt en zijn echtgenote Alfreda Benge terug om hun collaboraties nog meer substantie te geven. Voor het eerst zou Benge een bijdrage leveren die niet beperkt bleef tot de albumhoes; zij zorgde voor teksten, Wyatt voor muziek en arrangementen. Het is ook rond deze tijd dat duidelijk werd dat Wyatts albums geen collectieve inspanningen meer waren, maar de producten van een eenzaat die het liefst alleen, of omringd door een paar vrienden, werkte aan de muziek in zijn hoofd. De plaat werd in 1998 heruitgebracht als Dondestan (Revisited), omdat Wyatt vond dat er nog aan gesleuteld diende te worden. Opnieuw veel politiek met de titeltrack (over o.m. de Palestijnse en Koerdische zaak) en “CP Jeebies” (communisme), maar ook een voorzichtige terugkeer naar een meer persoonlijke wereld.

Het duurde opnieuw zes jaar sinds de opnames van Dondestan vooraleer er nieuw werk opgenomen werd. Gelukkig werd het geduld met Shleep (1997) meer dan beloond. Het is waarschijnlijk de sterkste plaat die hij maakte in de jaren tachtig/negentig, een vrij dromerige en toegankelijke tegenhanger voor Rock Bottom. Het album mist de cohesie van Old Rottenhat en Dondestan (Revisited), maar weet dat te compenseren door een aanstekelijke luchtigheid die op dit moment als een verrassing kwam. Met vrienden als Brian Eno, Phil Manzanera en Paul Weller aan zijn zijde leverde Wyatt een van zijn meest trefzekere albums af: poëtisch, speels en de perfecte aanvulling voor de titel. Het is een ontspannen, luie, wat slaapdronken plaat die de spanning en verontwaardiging van de vorige albums even heeft verruild voor een sfeer van zorgeloosheid. Een van de hoogtepunten is “Blues In Bob Minor”, een hilarische pastiche van Dylans “Subterranean Homesick Blues”.

Wyatt liet ooit optekenen dat cd’s doorgaans veel te lang zijn. Cuckooland (2003), zijn zevende langspeler, bevat niet minder dan zestien songs en overschrijft vlotjes de speelduur van een uur. Misschien daarom dat halverwege even stilte worden ingelast (letterlijk: 30 seconden). Het neemt niet weg dat de plaat een taaie brok blijft. Nergens is zijn muziek zo vreemd als in de vroege jaren, maar als je een uur Wyatt op z’n inventiefst over je heen krijgt ga je terdege beseffen hoe onderontwikkeld andermans platen soms zijn. Het album heeft een immens bereik: er zijn samenwerkingen met Alfreda, politieke en persoonlijke ruminaties, er is kamerpop, jazz en latin, er zijn verhalen over Miles Davis en Julliette Gréco en het gaat over de golfoorlog. Cuckooland maakt zijn enorme ambitie waar, maar vergt veel van de luisteraar en is zeker niet de ideale introductie.

Naast deze zes albums en de compilatie heeft Domino ook de EPs box set en een live opname uit 1974 (eerder verschenen in 2005) heruitgebracht. EPs bevat vijf korte schijfjes die materiaal bevatten uit een periode van vijfentwintig jaar. Zo is er een gerekte versie van “I’m A Believer”, maar bevat het ook “Shipbuilding”, een versie van Thelonious Monks “Round Midnight” en een resem remixes van latere songs. Theatre Royal Drury Lane 8 September 1974 (eerder te vinden als bootleg Las Vegas Fandango) is een registratie van een opmerkelijk concert, gespeeld door de muzikanten van Rock Bottom, dat ook in zijn geheel passeert en vaak in radicaal verschillende vorm (zo begint “Little red Reding Hood” haast te rocken). Beide zijn verplichte kost voor Wyatt-fanaten.

In 2007 bracht Wyatt Comicopera uit, een album dat het excentrieke van Cuckooland bevat, maar ook opnieuw een meer verontwaardigde, politieke koers vaart. Het is onwaarschijnlijk dat Wyatt nog eens een plaat maakt die zo consistent dromerig en onwerelds is als Rock Bottom, daarvoor is zijn realisme te groot. Het zijn er ook de tijden niet naar. Anderzijds is er geen reden om te wanhopen: zijn platen volgen elkaar dan wel op in een traag tempo, ze blijven getuigen van een onafhankelijke spirit en stilistische diversiteit die zijn gelijke niet kent. Uiteindelijk hoeven we Wyatts woorden niet in twijfel trekken: >alle albums geven blijk van een hoogst persoonlijke aanpak, een creativiteit die zowel dagdagelijkse beslommeringen als menselijke schande op een ander continent tot onderwerp kan verheffen.

De EPs box is enkel te verkrijgen op CD of als download. De albums zijn zowel verkrijgbaar als download, CD als LP.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in