M. Ward :: Hold Time

Na optredens blijf je hangen aan de toog voor een levensles of twee. Zo gaat dat. Niet zo lang geleden raakte de frontman van het voorprogramma van Two Gallants, in méér dan beschonken toestand, niet uitgeluld over zijn “amazing home town”. Met recht en rede, want hij mag zich een inwoner van Portland, ofte Indie Rock Mekka, noemen.

300 kilometer benoorden raasde de orkaan Grunge over Seattle. Maar in het kielzog van Elliott Smith, die met zijn vroege platen een virtueel stadsplan etste, settelden Sleater-Kinney en Pavement zich in alle stilte in Portland, Oregon. Anno 2000 en een heuse volksverhuizing later richtten een hele resem artiesten er hun eigen stulpje in: van Modest Mouse en The Shins over Spoon, Quasi, The Thermals tot Dandy Warhols en Death Cab for Cutie. Zelfs Johnny Marr en Anthony Kiedis (de laatste naar verluidt in een Hummer) zouden er ondertussen gesignaleerd zijn. Maar de meest briljant fonkelende juweel die zich in The Indie City schuilhoudt, moet wel M. Ward zijn.

Naar de ruwe ongepolijste four-tracks van zijn debuut End of Amnesia keert M. Ward waarschijnlijk nooit meer terug. Een verloren ziel zal het zich betreuren, en misschien terecht. De productie van zijn zesde langspeler Hold Time is op zijn minst weergaloos. En vlekkeloos zal iemand daartegen inbrengen. Toch legt Ward zijn meest complete verzameling nummertjes voor, en slaagt hij er in de uiteenlopende invloeden die hem tot dusver hebben geïnspireerd te vermengen tot een ongedwongen geheel. Blues? Check. Country? Check. Folk? Check. Sinds Post-War en vooral sinds Wards samenwerking met Zooey Deschanel (‘She’ in She & Him) lijkt het plaatje voor het grote publiek helemaal te kloppen.

Er zijn de samenwerkingen met klinkende namen. “Never had Anybody Like You” is een She & Him-nummer dat Zooey Deschanel nooit zal schrijven. Niets anders dan geniale sixtiespop, waarvan het niet onaardige achtergrondzangeresje nog heel wat te leren heeft. “To Save Me” is een pompeuze brok Grandaddy met Jason Lytle achter de rollende synth en pompende piano. Helaas is er ook “Oh, Lonesome Me”, een Don Gibson-klassieker die we maar al te goed kennen van Neil Youngs After the Goldrush. Voor zijn versie trommelde Ward Lucinda Williams op, die zijn doorrookte stem om een of andere duistere reden tracht te overtroeven en een hopeloze farce maakt van een nochtans knap in elkaar gestoken cover.

Uiteraard zijn er ook geslaagde covers. Dit is een M. Ward-plaat, nietwaar? Ward ontdoet “Rave On”, het al door Buddy Holly gebrachte geniale nummer, van zijn stampvoettempo, gutst er een onheilspellende melancholie over, en laat een percussie-ensemble en gospelkoor (weer Deschanel) als apotheose met elkaar paren. En vooral, Ward sluit zijn plaatje af met de knapste instrumental die tot dusver aan zijn gitaar ontsnapte, geïnspireerd op “I’m a Fool to Want You” van Frank Sinatra. Als Sam Mendes ooit een vervolg op American Beauty filmt, hoeft hij geen soundtrack meer te bestellen. Het van gevoel doorspekte “Outro” schreeuwt om een filmadaptatie en, de tijd zal het uitwijzen, is waarschijnlijk het beste dat op Hold Time te vinden is.

Er is ook de a-typische single, die met minder woorden meer zegt over de plaat. De titeltrack “Hold Time” is een liefdesliedje zonder gelijke. In enkel wat strijkers, een sublieme gitaarlick, en een voorzichtig aangetikt cimbaaltje verpakt Ward zijn verlangen om de tijd stil te zetten: “I wrote this song just to remember / the endless, endless summer in your life”. Een losse thematiek die de rest van de plaat samenhoudt en zijn kop opsteekt in “One Hundred Million Years” (“The lights that shine tonight / Will burn on when we die / Oh my soul, one hundred million years"), “Blake’s View” en “Shangri-La”. M. Ward heeft in korte tijd degelijkheid, expertise en zelfvertrouwen verworven. Hold Time zet het tikken van de klok even buitenspel en schenkt je een doorleefde whisky en een doorrookte levensles of twee.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in