Oorlogswinter




Er zijn niet veel dingen waar je mij nostalgisch mee kunt maken –
ik kan zelfs het begindeuntje van ‘The A-Team’ horen zonder mee te
zingen, kun je nagaan – maar de herinnering aan de boeken van
Lemniscaat kunnen toch tellen. Jeugdschrijvers als Jan Terlouw,
Thea Beckman, Evert Hartman en ga zo maar door waren monumenten van
het pre-Gert Verhulst tijdperk, lang voordat kindervermaak
gehomogeniseerd werd tot één smakeloze, zij het makkelijk te
marketen pap. Er bestonden geen dekbedden, brooddozen of
themaparken rond hun boeken, maar ze stonden wel prominent op de
bovenste plank van m’n boekenkast (die ocharme maar twee planken
had, maar dat terzijde). En wat meer is, dezelfde ereplaats hadden
ze bij de meeste van mijn leeftijdsgenoten. Een lange reeks boeken
met een acht op de rug (een acht die overigens op zich al reden
genoeg was om zo’n roman te willen hebben – je wilde immers zoveel
mogelijk van die symbooltjes naast elkaar kunnen zetten). Jan
Terlouws ‘Koning Van Katoren’ is misschien nog steeds het mooiste
kinderboek ooit geschreven – eat your heart out, Marc De
Bel! – terwijl het in 1972 verschenen ‘Oorlogswinter’ bewees dat
hij ook moeilijkere thema’s toegankelijk kon maken voor het jonge
volkje. In 1975 maakte de Nederlandse televisie al een minireeks
van het verhaal (die ik nooit heb gezien) en nu is er dan deze
film, die meteen de vraag oproept waarom niet veel méér van die
oude Lemniscaatboeken ooit een cinemabehandeling hebben gekregen
(en dan liefst één die uitstijgt boven de flop die ‘Kruistocht in
Spijkerbroek’ was)? Lord knows dat de verhalen zich er
maar al te vaak toe leenden.

Januari 1945, een dorpje aan de IJssel. De 15-jarige Michiel
(Martijn Lakemeier) ondergaat samen met zijn ouders, zijn zus en
zijn aimabele oom Ben (Yorick van Wageningen) de ijskoude laatste
maanden van de Tweede Wereldoorlog. Zijn vader, de burgemeester van
het dorp, probeert een moeizame verstandsverhouding met de Duitsers
op gang te houden om zo veel mogelijk van zijn mensen te redden.
Oom Ben zit dan weer in het verzet. Michiel zelf komt plotseling
diep in de problemen wanneer hij in het bos de neergestorte en
gewonde Britse piloot Jack (Jamie Campbell Bower) ontdekt. Ondanks
de gevaren, besluit Michiel om Jack te helpen.

Die plot is op zichzelf niet zo indrukwekkend, en was dat ook al
niet in het boek van Jan Terlouw – in essentie plaatst de schrijver
zijn hoofdpersonage voor een moreel dilemma waarvan je de uitkomst
op voorhand al weet: kiezen voor zijn eigen veiligheid door de
piloot te laten stikken, of kiezen voor persoonlijk gevaar door hem
te helpen ontsnappen. Het is nu niet bepaald een groot mysterie
welk van de twee het zal worden. Wat het interessant maakte, was de
manier waarop die keuze voor een 15-jarige jongen neerkomt op een
keuze tussen twee vaderfiguren. Michiel begrijpt de schijnbare
passiviteit van zijn vader niet: waarom zegt hij goeiedag tegen een
NSB’er? Waarom onderhandelt hij met de Duitsers, bijna alsof ze
zijn vrienden zijn? Hij voelt veel meer respect voor de duidelijke
taal die zijn oom Ben spreekt – een avonturier, die een revolver in
zijn koffer heeft zitten wanneer hij bij de familie komt logeren,
en die schijnbaar pakjes naar Engeland kan smokkelen. Michiels
beslissing om Jack te helpen, komt dan ook neer op rebellie tegen
zijn vader. Maar over de loop van het verhaal worden die relaties
genuanceerd, naarmate Michiel ontdekt dat zijn pa sterker is dan
hij had gedacht en dat oom Ben misschien toch niet de held is die
hij lijkt. Eén van de sterke punten van zowel boek als film is de
manier waarop de ervaring van de Tweede Wereldoorlog wordt gefocust
op het groeiproces van een puber. Om het banaal uit te drukken: een
jongen wordt man, omdat hij leert hoe ingewikkeld goed en kwaad
kunnen liggen, en hoezeer uiterlijke schijn kan bedriegen.

Regisseur Martin Koolhoven verpakt dat verhaal in een film die
nergens de indruk geeft specifiek voor de jeugd gemaakt te zijn. We
krijgen een dialoogarme aanpak, waarin we veel informatie moeten
afleiden uit de beelden. En hoewel het tempo steeds hoog blijft
liggen, is Koolhoven niet gehaast om ons elke vijf minuten een
actiescène te geven, om de aandacht van het jonge volkje vast te
houden. ‘Oorlogswinter’ zal tegen deze tijd volgend jaar
ongetwijfeld wel geprogrammeerd staan in middelbare scholen overal
in Nederland en België, maar hanteert een volwassen filmtaal.

Daarbij hoort een afgebleekte, haast ontkleurde look –
strak wit, vaal blauw en naargeestig grijs domineren het
kleurenpalet, zodat je soms bijna de indruk krijgt naar een
zwart-wit film te zitten kijken (met uitzondering van de
allerlaatste scènes). Koolhoven houdt er beweging in, met veel
gebruik van een schoudercamera (tijdens het eerste half uur zelfs
wat té veel), ook tijdens gewone dialoogscènes. Het gevolg is dat
‘Oorlogswinter’ een troosteloze, ietwat nerveuze sfeer heeft – een
sfeer van naderend onheil, die perfect bij het thema past. De
regisseur weet bovendien hoe hij zijn verhaal moet vertellen: een
scène waarin Michiel zich leert scheren, is een prachtig staaltje
onsentimenteel filmdrama, een achtervolging te paard door het bos
is geweldig spannend en de zeldzame straaltjes humor (“Hoe noem
je iemand waar je van houdt?” – “Een klootzak.”)
zijn prima
getimed.

Maar daar staat wel tegenover dat Koolhoven het sentiment niet
altijd kan vermijden. Bij bepaalde slow motion shots laat hij zich
toch verleiden tot tranentrekkerij, en vooral de overnadrukkelijke
muziek van Pino Donaggio ramt er elke emotie nog eens dubbel en dik
in. Da’s zonde, vooral omdat Koolhovens ensceneringen van die
scènes nog altijd erg goed is. Kijk maar eens naar een
executiescène, ongeveer halverwege de film. De cameravoering en
montage in die sequens is helemaal in orde, en had de regisseur
daar genoeg vertrouwen in gehad om het gewoon “droog” te
presenteren, dan had het perfect gewerkt. Zoals het is, krijgen we
echter de hele boel in slow-motion, met een gigantisch strijkorkest
er bovenop, en wordt het veel te veel.

In ieder geval is en blijft ‘Oorlogswinter’ één van de betere
Nederlandstalige films van het voorbije jaar – een goed verhaal
wordt knap verteld, met verrassend overtuigende acteurs: Jamie
Campbell Bower is een beetje kleurloos als Jack, maar de relatie
tussen Michiel en oom Ben wordt sterk tot leven gebracht door
Martijn Lakemeier en Yorick van Wageningen. Enfin, een aanrader,
ook voor wie nooit een plank vol boeken met een acht heeft
gehad.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in