W.




Een tiental jaar geleden zou het idee dat Oliver Stone het leven
ging verfilmen van een nog regerende president, gezorgd hebben voor
een controverse waar de verzamelde Amerikaanse (en internationale)
media maandenlang zoet mee was. De beeldenstormer die epische, maar
fenomenaal controversiële politieke portretten als ‘JFK’ en ‘Nixon’
draaide, in combinatie met de meest geminachte president uit de
recente geschiedenis? Destijds zou dat voldoende zijn geweest voor
polemieken aan beide kanten van het politieke spectrum, maar in de
praktijk werd Stone’s ‘W.’ in relatieve stilte gemaakt en
uitgebracht. De regisseur sjeesde aan een rotvaart door zijn
productie: op een dikke zes maanden tijd werd het hele ding
gedraaid én gemonteerd, om hem op tijd uit te kunnen brengen voor
de presidentsverkiezingen van 4 november. Het resultaat was een
film die middelmatige recensies kreeg, op het moment van schrijven
matige bezoekcijfers aan het halen is en al bij al maar weinig
golven veroorzaakt. De polemiek blijft uit – een teken van de
onpopulariteit van Bush, uiteraard, een man die naar het einde van
zijn ambtstermijn toe zelfs onder zijn vaste kiezersbasis steeds
minder mensen vindt die hem nog willen verdedigen. Maar ook een
teken dat Stone niet meer de relschopper is die hij tien jaar
geleden was. Echt mainstream zal hij wel nooit worden, maar met
‘W.’ toont hij zich braver, conventioneler dan ooit tevoren. Wat
daarom nog geen slechte film oplevert – alleen wél een veilige
film, die in principe ook door een andere regisseur gedraaid had
kunnen zijn.

‘W.’ traceert – in stukken en brokken – het leven van huidig
Amerikaans president, born again christen, ex-olieman,
ex-baseballmanager en ex-alcoholicus George Walker Bush. Als rode
draad gebruikt Stone de aanloop naar de invasie van Irak in 2003 en
de steeds verder gezochte pogingen van het kabinet van Bush om
excuses te vinden om het land binnen te vallen. Van daaruit
flasht hij, zoals dat hoort in een biopic, gretig
heen en weer naar cruciale scènes uit Bush z’n vroegere leven: zijn
dagen als Texaanse niksnut die regelmatig door zijn papa uit de
problemen gehaald moet worden, zijn ontmoeting met Laura (Elizabeth
Banks), zijn drankprobleem en zijn genezing daarvan via zijn
bekering tot het evangelische christendom.

Het beeld dat Stone op die manier creëert, is niet wat je noemt
schokkend door zijn verse inzichten: Bush komt uit ‘W.’ naar voren
als een intellectueel lichtgewicht, die nooit boeken leest en
dingen zegt als “Saddam has always misunderestimated me!”,
maar die wel een fenomenaal geheugen heeft (waardoor hij de ideeën
van anderen perfect kan napraten) en ook enorm goed met mensen om
kan. “Uiteindelijk stemmen mensen voor degene met wie ze graag een
pint zouden gaan pakken,” zegt presidentieel adviseur en puppet
master
Karl Rove (Toby Jones) op een bepaald moment. Wat
waarschijnlijk een belangrijke reden is dat Bush verkozen is
geraakt: heel wat mensen voelen zich lichtjes oncomfortabel bij
anderen die te moeilijke woorden gebruiken en zich intelligenter
profileren dan zij. Bush daarentegen, speelde vanaf het begin de
rol van de gewone man, de sympathieke peer die niet geïnteresseerd
was in intellectuele prietpraat, maar met wie je gemoedelijk een
babbel kon doen op een barbecue.

Daar hangt aan vast dat Bush, volgens Stone, nooit genuanceerd
heeft leren denken, maar altijd is blijven redeneren volgens
ouderwetse zwart-wit tegenstellingen van goed en kwaad. Hij is een
man met een missie, die ten volle gelooft dat God aan zijn kant
staat en na elke vergadering in het Witte Huis een gebedje zegt.
Verre van de personificatie van het kwaad, is hij iemand die
oprecht lijkt te geloven dat hij de vertegenwoordiger van vrijheid
en democratie is, die ten strijde trekt tegen tirannie. De Bush van
Stone is in wezen altijd een cowboy gebleven, een man van “je bent
voor ons of tegen ons”, een man van “je hebt goed en je hebt kwaad,
en het goede wint uiteindelijk altijd”. Dat anderen misschien geen
boodschap hebben aan zijn perceptie van wat goed is, komt niet eens
bij hem op, want zover reikt zijn culturele of sociale blik niet.
De écht cynische motivaties – olie, geld, machtsgeilheid – legt
Stone bij de entourage van Bush: Dick Cheney (Richard Dreyfuss),
die als vice-president van het gehele Midden-Oosten een Amerikaanse
provincie wil maken; Donald Rumsfeld (Scott Glenn), wiens politiek
zich laat samenvatten als “shoot first, ask questions
later”
en Condoleeza Rice (Thandie Newton), een meedogenloze
social climber die achter de rest aanloopt. De enige stem
van rede is Colin Powell (Jeffrey Wright), die aanvankelijk tegen
de invasie van Irak is, tot hij uiteindelijk toegeeft aan de druk
van de anderen.

Is dat een controversiële blik op de bende rond Bush? Niet echt.
Als president is Bush degene die het zwaarst bekritiseerd wordt en
wiens gezicht regelmatig gefotoshopt wordt in e-mailgrapjes
allerhande, maar het is algemeen geweten dat zijn beleid in grote
mate gestuurd wordt door zijn medewerkers. Een eigenaardige mix van
extreem-rechts zendelingschap (“we’re on a mission from
God!”)
en plat kapitalistisch opportunisme (“we’re on a
mission from the oil industry!”)
heeft de laatste acht jaar de
gang van de wereld bepaald. Samen met, als we Stone mogen geloven,
het vadercomplex van de president: de voornaamste psychologische
drijfveer die Stone hier aanreikt, is dat Bush nooit heeft voldaan
voor zijn ouweheer; zijn broer Jeb deed het altijd beter. Daarmee
wordt heel Bush zijn presidentschap gereduceerd tot een ultieme
poging om eindelijk de goedkeuring van poppy te krijgen –
een vereenvoudiging van de feiten, ongetwijfeld, maar voor de
doeleinden van de film werkt het wel.

Wat haast noodzakelijk ontbreekt in ‘W.’, is historisch
perspectief. We weten nog niet wat Bush z’n presidentschap op lange
termijn betekend zal hebben, waardoor Stone zich moet beperken tot
de hoogtepunten van diens leven en ambtstermijn. Om alles in een
film van twee uur gepropt te krijgen, moet de regisseur daarenboven
ook heel wat schrappen, wat soms tot vreemde keuzes leidt – we
horen niks over de controversiële verkiezingen van 2000, en ook
9/11 zelf wordt niet gedramatiseerd. Op die manier wordt ‘W.’ een
boeiende, goed gemaakte, maar ook oppervlakkige film, die een
aantal feiten en (niet bijster diepzinnige) inzichten op een rijtje
zet en het daar bij houdt. De Shakespeariaanse grandeur of
stimulerende provocatie van ‘JFK’ en ‘Nixon’ is ver weg, om plaats
te maken voor een conventionele benadering waar maar weinig mensen
kwaad over zullen worden. Het is onderhoudend en visueel in orde,
maar de urgentie, de koortsachtige energie en het scandaleuze
sfeertje van Stone’s gloriedagen zijn hier niet terug te
vinden.

De acteurs zijn wisselvallig in hun rollen: come
back-boy
Josh Brolin zet een schitterende Bush neer: hij heeft
de maniertjes, de stem en de lichaamstaal van de president helemaal
onder de knie en blijft net aan de juiste kant van de parodie.
Richard Dreyfuss, Jeffrey Wright en vooral James Cromwell bieden
uitstekende ondersteuning in de bijrollen, maar Ellen Burstyn
krijgt bitter weinig te doen als Barbara Bush en vooral Thandie
Newton is verschrikkelijk irritant als Condoleeza Rice. Ze zet hier
een over the top imitatie neer waar je op bezopen feestjes
misschien nog net mee wegraakt, maar die in een dergelijke film
niets te zoeken heeft.

Wat ik graag zou willen zien, is een remake van ‘W.’,
liefst geregisseerd door Stone zelf, gemaakt over 10 of 15 jaar
tijd. En dan ineens een epos van drie uur, waarin de regisseur nog
eens uitpakt met zijn bulldozer-stijl: gewaagde theorieën, niets of
niemand ontziend en even krachtig als in zijn hoogdagen. Minder
gehaast gemaakt en minder braaf. Wat we nu krijgen, is continu
boeiend en regelmatig geestig (nooit geweten dat Stone zoveel
gevoel voor humor had), maar het blijft een oppervlakkige inleiding
op Bush: de man en zijn complexen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in