Micah P. Hinson :: … And the Red Empire Orchestra

Als country the new loud is, dan is Micah P. Hinson wellicht de nieuwe Johnny Cash. Het bewijs: Hinsons derde plaat doet je de blik meewarig naar beneden richten om een traan in het vale biertje op je schoot te plengen bij het besef dat de man in het zwart ondertussen al vijf jaar van ons heen is.

Zijn opvolger is gelukkig nog maar 27 grimmige winters jong, en heeft — dat mogen we toch hopen — nog een lange reis voor de boeg die hij van songs kan voorzien. Dame Fortuna heeft Micah P. Hinson in die tijd niet gespaard van onheil. De eenzaamheid, melancholie en ellende die we aanhoorden op zijn vorige platen … And the Gospel of Progress en …And The Opera Circuit waren dus steekoprecht. De singer-songwriter groeide op in een fundamentalistisch christelijk gezin in Texas en beleefde door een nare pijnstillerverslaving zijn tienerjaren zwevend op eenzame hoogte. Hij vloog de gevangenis in na het vervalsen van doktersvoorschriften, maar zette zijn leven weer op de rails zoals iederéén dat met zo’n jeugd doet: door countrysongs te schrijven.

Maar voor de opname van … And the Red Empire Orchestra moest Hinson opnieuw door de hel. Moegestreden na het touren voor zijn tweede plaat en tussen doktersbehandelingen voor zijn zwakke rug door, belandden nieuwe songs slechts dunnetjes op papier. Zijn carrière leek in het slop te zitten nog voor ze goed en wel op gang was gekomen. Tot producer John Congleton (The Polyphonic Spree, Explosions in the Sky, Black Mountain, Antony and the Johnsons) besliste zijn gunsten te verlenen aan de Texaanse oudtestamentische Job en erin slaagde Hinsons beste plaat tot nu toe eruit te knijpen.

… And the Red Empire Orchestra neemt wel een valse start. Opener “Come Home Quickly Darling” en “Tell Me It Ain’t So” teren op slechts één — weliswaar niet onaardig — idee, en kunnen we niet anders klasseren dan als een genreoefening. Een derde plaat onwaardig, dat begin, maar gelukkig is de rest van de plaat méér dan goud waard. De filmische strijkersarrangementen in “I Keep Havin’ These Dreams” en “Sunrise Over The Olympus Mons” lijken zelfs recht uit de hemel geplukt en “The Fire Came Up To My Knees” is een donders goede donderpreek waartoe we alleen Mark Eitzel en deken Frans in staat achtten.

Af en toe flirt de doorgaans ingetogen Hinson met exuberante uitbarstingen, en dat zorgt voor de meest spraakmakende momenten op de plaat. In “Sunrise Over The Olympus Mons” komt een sidderend gitaartje onbewust via een achterpoortje de song binnengeslopen, om vervolgens venijnig uit te halen en een zinnenprikkelende climax open te scheuren: hoogtepunt 1. In “You Will Find Me” gaan de sluizen van aan het begin open. Een heerlijke elektrische gitaar waar Chris Isaak en Roy Orbison een patent op hebben warmt op, een ontspoord vioolorkest kopt binnen, de luisteraar capituleert: hoogtepunt 2. We vragen ons ondertussen off the record af hoe een samenwerking met Vic Chesnutt zou klinken: hoogtepunt 3.

De rest van de songs zijn gedrenkt in hemeltergende weemoed, en zijn zonder uitzondering briljant gearrangeerd. To name but a few: “When we embraced” en “The Wishing Well and the Willow Tree” doen bijvoorbeeld ontzettend mooie dingen met een banjo. Afsluiter “Dyin’ Alone” is de meest intense uitgeleide van een plaat die we sinds lang hebben gehoord. Hinson kijkt Magere Hein diep in de ogen en smeekt niet alleen het hoekje te moeten omgaan. En zie: mooie tijden kondigen zich aan voor Micah (dáár komt dat sprankeltje hoop uit enkele songs dus vandaan). Na een concert met The Mountain Goats vroeg hij zijn lief live on stage ten huwelijk. Ze stemde toe, maar wedden dat Hinsons vierde plaat toch geen uptempo discoplaat wordt? Moge Micah P. Hinson zijn miserie voortaan met twee ondergaan.

Micah P. Hinson treedt op dinsdag 7 oktober op in Stuk in Leuven.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in