Dresden Dolls :: No, Virginia …

Roadrunner, 2008

Nadat Dresden Dolls zich met ‘A Is For Accident’ en hun titelloze
studiodebuut
meteen tussen onze favoriete groepen nestelden, sloegen ze met
‘Yes, Virginia…’ de verkeerde weg in. Het voorgevoel vertelde dat
deze nieuwe release daar weinig beterschap in zou kunnen brengen;
een zoethoudertje terwijl Amanda Palmer aan haar soloproject
sleutelt. Voor ‘No, Virginia…’ werden enkele nummers uitgewerkt die
bij de vorige platen uit de boot vielen en aangevuld met songs die
elders al verschenen. Toch – juicht gij allen – klinkt de plaat
eerder als een wiedergutmachungsoffensief dan als de
commerciële uitbuiting van een collectie afdankertjes.

Een groot deel van de tracklist bouwt verder op Yes, Virginia…, in
die zin dat nog meer naar een toegankelijker geluid toegewerkt
wordt. ‘Dear Jenny’ is ongetwijfeld de meest onverdeeld popgerichte
song die het duo neerpende zonder dat dit een slechte zaak wordt:
de vrolijkheid is heerlijk aanstekelijk en verfrissend. Dat misten
we nu net bij de voorganger: die knetterende spontaneïteit waardoor
het lijkt alsof elke song zonder enige moeite uit de vingertoppen
vloeide. Aan de stijl is weinig veranderd, hoewel we hier en daar
toch eens een fris briesje horen waaien. De finale van ‘Última
Esperenza’ laat Palmer een compleet nieuwe toonaard verkennen, het
grotendeels gefluisterde ‘The Gardener’ is een jazzy song waar
Amanda als een krolse dominatrix doorheen kruipt (“At last my
pretty flower is getting put to use, you’ve always been a failure
but now you’re bearing strange new fruit”
). Een drastisch
ander geluid is te horen op de ‘Pretty In Pink’-cover, hoewel de
lage stem en goedkope synths daar wringen met de rest van de
plaat.

Dé kracht van ‘No, Virginia …’ is echter dat de plaat anderzijds
ook weer aansluiting zoekt bij de beginperiode van Dresden Dolls:
het cabaretsfeertje dat meer rond sluimerende sfeerschepping werkt
dan direct met een adrenalinestoot de deur open te trappen. Het
prachtige ‘The Kill’ vertrekt vanuit een ontroerend rustig begin en
mondt uit in een energieke belijdenis die de live-feel van de groep
eindelijk nog eens op plaat kan vatten. ‘The Sheep Song’ werkt dit
procédé opnieuw uit binnen het patroon van een wiegelied. Ook ‘The
Mouse And The Model’ kent een indrukwekkende opbouw die even doet
terugdenken aan het epische karakter van ‘Truce’: terwijl
marcherende drums en hier en daar zelfs een brommende elektrische
gitaar het instrumentarium aanvullen, speelt Palmer met haar stem:
afwisselend beheerst, strikt, uitgelaten en vitriool spuwend.

De grootste verrassing schuilt toch in de staart. Toen de Dolls
vier jaar geleden de Genste Handelsbeurs aandeden, speelden ze daar
een onuitgegeven nummer waar we onmiddellijk smoorverliefd op
werden. Het lange wachten wordt nu eindelijk beloond want ‘Bostons’
is nog even hartverscheurend mooi als toen we het voor het eerst
hoorden: een relaas van een kortstondige liaison die uitmondt in
een smeekbede om te genieten van het moment (“There is nothing
in the world that we can count on, even that we will wake up is an
assumption”
). Tegelijkertijd theatraal en oprecht; de ideale
afsluiter die je nog urenlang door je geest hoort echoën.

Tussendoor besef je zo nu en dan dat op dit schijfje ook
afdankertjes opgenomen werden, maar die momenten zijn sterk in de
minderheid. ‘Sorry Bunch’ valt teveel in herhaling zonder ooit een
climax te bereiken. ‘Lonesome Organist Rapes Page-turner’ –
what’s in a name – wil de rauwe kracht van ‘Girl
Anachronism’ nog eens bovenhalen, maar klinkt uiteindelijk iets te
veel als een sketch in plaats van een song.

Hoewel er door de patchwork-aard natuurlijk minder lijn in zit dan
in een normaal album, herstelt ‘No, Virginia …’ toch de eer van
een groep die met haar tweede studioplaat even de mist in ging.
Grote veranderingen moet je niet verwachten, maar het gesmaakte
recept staat wel terug helemaal op punt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

3 × 4 =