Hoe The Triffids hun drie wensen teruggaven

Bijna twintig jaar na het einde van de band, lijkt het er op dat The Triffids een nieuwe poging doen om onder de aandacht te komen. De platen liggen opnieuw in de rekken en enkele sporadische concerten moesten een en ander in de verf zetten. Maar of de grilligheid ditmaal zal aanslaan?

In zijn werk "Performing Rites" beschrijft Simon Frith de lijdensweg van een rockgroep. De socioloog en voormalige muziekcriticus geeft een accurate omschrijving van het proces dat muziek doormaakt voor die bij de luisteraar terechtkomt en, in het beste geval, een grootschalige positieve respons teweeg brengt. Daartoe hanteert Frith het sluiswachtersprincipe: selectieprocessen waarbij telkens slechts een klein aantal ’deelnemers’ doorgaan naar de volgende stap. Het gaat hier onder meer om het eigen creatieve proces van de band, over jamsessies en demo’s, langs de hele machinerie van de platenindustrie en muziekjournalistiek tot de luisteraars.

De strengste selecties in dat hele proces situeert Frith aan het begin en het einde: de artiest en zijn publiek zijn immers de belangrijkste factoren als het gaat om het al dan niet aanslaan van een album. Daarbij haalt Frith behoorlijk hallucinante cijfers aan: nog geen tien procent van de platen die uitgebracht worden, doen ’iets’. Je zal als artiest maar in zo’n situatie zijn dat je alle hindernissen succesvol genomen hebt en vervolgens op een muur van apathie botst bij het publiek. In de jaren tachtig overkwam het The Triffids.

Net als Pixies en Velvet Underground was The Triffids het soort groep dat hoge ogen gooide in de pers en bij collega-muzikanten, maar dat niet wist te vertalen naar indrukwekkende verkoopcijfers. Zelfs de status van cultband, zoals The Velvets en Pixies uiteindelijk wisten te bereiken, zat er niet in voor het Australische gezelschap. Al kan altijd de vraag worden gesteld wat de exacte criteria zijn om van een cultstatus te gewagen.

Groot zijn in een ver, vreemd land misschien? Want The Triffids was het soort groep dat — net als bijvoorbeeld Girls Against Boys — onder de noemer Big In Belgium valt. Ook hier bestormden de Australiërs geen hitlijsten, maar was de ontvangst wel hartelijker dan in het thuisland.

Nochtans was The Triffids absoluut geen moeilijke band. Debuutalbum Treeless Plain uit 1983 opende bijvoorbeeld met het ijzersterke "Red Pony", een song die de sterkte van de betere rockers uit de jaren zeventig in zich heeft, maar langs de andere kant op zoek gaat naar breedsprakerige dramatiek van popsongs uit de jaren tachtig. Die kant van de groep wordt later in de carrière nog meer in de verf gezet, met platen als Calenture en The Black Swan.

Vooral die eerste plaat is een echt jaren tachtigproduct: single "Bury Me Deep In Love" werd in de ultieme soap Neighbours gebruikt om het huwelijk tussen Harold en Madge van een soundtrack te voorzien. "Muzikaal gezien zijn er gelijkenissen tussen ons en The Waterboys," zei frontman David McComb in 1989. En daar valt wat voor te zeggen. Enkele jaren daarvoor hadden The Waterboys met "The Whole Of The Moon" een hit te pakken die, wanneer hij nu op de radio voorbij komt, ook nu nog in staat is je terug te slingeren naar het decennium van de IJzeren Lady.

Maar wat nu nostalgie is, was eens modern. Zo ook The Black Swan, waarover McComb zei dat "de helft van de plaat bestaat uit elektronica. Wie ons ziet als een retroband heeft het mis." Een hit zat er nochtans niet in. Daarvoor zou het wachten zijn op "Setting You Free" uit McCombs soloplaat Love Of Will uit 1994, en dan nog: meer dan een bescheiden radiohit werd het nummer niet.

Nochtans hadden The Triffids best moeite gedaan om iets te bereiken met hun muziek. Na de uiterst lovende reacties op Born Sandy Devotional tekent de band bij Island, maar niet vooraleer het in een schapenstal opgenomen In The Pines uit te brengen, een saluut aan hun indiejaren of, zoals gitarist Graham Lee het stelde "iets dat gedaan moest worden, toen het nog kon. Of het werkte of niet, had geen belang. En als het niet werkte, hadden we tenminste demo’s voor een volgende plaat in handen."

Die volgende plaat zou Calenture worden en In The Pines vervult, hoewel de plaat wél werkt, deels de rol van demo voor dat album. Staan op In The Pines naakte, spontane versies van nummers als "Jerdacuttup Man", "One Soul Less On Your Fiery List" en "Trick Of The Light". Op Calenture klinken diezelfde songs plots heel wat eigentijdser.

Gezien de voorliefde van de band voor beide vormen van muziek waren The Triffids niet altijd even makkelijk te plaatsen. "Ik hou van Madonna," zei David McComb, "maar als ik dat zeg, krijg ik blikken van ongeloof toegeworpen. Nochtans meen ik dat, er is geen ironie mee gemoeid. Ik geniet van zulke muziek." Zulke uitspraken maken het er natuurlijk niet makkelijker op in een tijdperk waarin nog een stevige muur staat tussen zogenaamd alternatieve en commerciële muziek. Maar de band houdt ook van andere muziekjes: The Triffids vallen evengoed voor meer klassieke songschrijvers als Leonard Cohen — die op dat moment overigens evengoed met synthesizers in de weer is — en Bob Dylan. Van die laatste wordt op Treeles Plain bovendien "I Am A Lonesome Hobo" gecoverd.

Dat hobogevoel was The Triffids zelf niet vreemd. Zijn muziek hoorde niet bepaald ergens thuis en werd al eens omschreven als "de missing link tussen Nick Cave en INXS" en de titel Calenture was de frontman zo genegen dat hij hem jarenlang in zijn achterhoofd had alvorens in 1987 toch een album onder die titel uit te brengen. "Calenture is een koorts waarin zeelui verzeild raken", vertelde McComb in die periode, "ik kwam die term tegen toen ik vroeger ’Robinson Crusoe’ las, er ging een schok van herkenning door me heen."
Ook gitarist Graham Lee kan zich daar duidelijk in vinden. "Iemand vroeg eens in een interview wat we zouden doen mochten we drie wensen krijgen. Hoogstwaarschijnlijk teruggeven, was mijn antwoord. Want wat zou je met die wensen doen? Probably sort yourself out, maar dat lijkt me behoorlijk saai."

Al denkt niet iedereen daar hetzelfde over. De pers bijvoorbeeld. "Plaat na plaat werden we afgeschilderd als verward en richtingloos," zei McComb vlak voor het verschijnen van The Black Swan, het laatste album van de band. Op die plaat flirt de groep niet meer met modieuze instrumenten en klanken, het is een stevige vrijpartij geworden. "Wij zouden geen hiphopdrumsprogramma mogen gebruiken omdat we uit Perth, Australië komen? De beste muziek ontstaat net doordat mensen die er niet voor gekwalificeerd zijn hem gaan maken." Toch blijft die laatste plaat een vreemde eend in de bijt, met zijn kaal drumgeluid en dito eightiessynths.

Na die plaat was het trouwens gedaan. Niet bewust: The Triffids zijn nooit echt gesplit. Wanneer de band in augustus 1989 voor het laatst van een podium wandelt, is het gewoon even welletjes geweest. De helft van de band bleef actief in de muziek, met Martyn Casey die een Bad Seed werd bij Nick Cave als bekendste voorbeeld. De anderen werden leraar, advocaat of architect. Een doorstart van de groep komt er niet van door McCombs overlijden in 1999. Pas in 2006, wanneer Domino begint met de heruitgave van de studioplaten, is het zover. The Triffids staan, met een serie gastzangers, opnieuw op het podium, zij het in Vlaanderen en Nederland en voor slechts enkele honderden mensen. Het duurt tot januari 2008 vooraleer een gelijkaardig concert plaatsvindt in het thuisland. De studioplaten, die zijn ondertussen allemaal opnieuw beschikbaar, klaar om ontdekt te worden door nieuwe fans.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in