The Nightmare Before Christmas




76 min. /
USA / 1993

Het gebeurt wel vaker dat filmmakers overschaduwd worden door
hun medewerkers – wie weet er bijvoorbeeld nog wie de regisseur van
‘The Third Man’
was? Carol Reed stond zich daar de ziel uit z’n lijf te regisseren,
maar Orson Welles loopt ongeveer tien minuten lang in beeld, en
negentig procent van de mensheid gelooft nog steeds dat het zijn
film was. Zo gaat dat dan. Henry Selick is ook zo iemand. Als
regisseur van ‘The Nightmare Before Christmas’ spendeerde hij er
vijf jaar aan om ettelijke tientallen plasticine poppetjes een
fractie van een millimeter te bewegen en te fotograferen, zodat hij
er achteraf een stop-motion film van zou kunnen maken. Vijf jaar
lang monnikenwerk, en welke naam ligt op ieders lippen? Tim Burton,
natuurlijk, de man die de personages en het verhaal bedacht. Het
leven is niet fair, hoewel het makkelijk is om in te zien waar die
vergissing vandaan komt – elke seconde van ‘The Nightmare Before
Christmas’ draagt immers duidelijk Burtons stempel mee. De
gothic sets, de bizarre creaturen, het morbide gevoel voor
humor en de verhaallijn over een buitenstaander die bij de groep
wilt horen, het is allemaal vintage Burton.

Het verhaal speelt zich af in Halloweentown, waar een
gemeenschap aan griezels (inclusief een clown met een tear-away
face,
mummies, vampieren en dat wezen dat zich onder je bed
schuilhield tot je groot genoeg werd om beter te weten) zich het
hele jaar door bezighoudt met de voorbereidingen voor de volgende
Halloween. Ongekroonde koning van de stad is Jack Skellington, een
wandelend geraamte met een onfeilbare reputatie onder zijn
dorpsgenoten. Maar Jack begint stilaan een zwaar “been there,
done that”-
gevoel te krijgen bij Halloween en droomt van
andere en betere dingen. Tijdens een eenzame wandeling door het bos
ontdekt hij een doorgang naar Christmastown, waar elfjes en Santa
Claus himself continu in de weer zijn met kerstmis. Jack
begrijpt er niets van, maar wordt stapelverliefd op wat hij ziet.
Hij trommelt dan ook heel Halloweentown op om kerstmis te
kapen.

Tim Burton begon zijn carrière als animator bij Disney (hij was
verantwoordelijk voor het ontwerp van de nu grotendeels vergeten
tekenfilm ‘The Black Cauldron’), dus ik veronderstel dat het
logisch is dat hij vroeg of laat naar het medium zou terugkeren,
zij het dan deze keer in stop motion. De resulterende film
lijkt eerder een negatieve doorslag van een Disney-tekenfilm dan
wat anders – de warme, donzige gevoelens van Disney worden hier
vrolijk geperverteerd (de kerstman wordt zonder al te veel
plichtplegingen ontvoerd uit Christmastown en aan een tafel
gebonden om gefolterd te worden door de Oogie-Boogie Man, kun je
nagaan) en ook de visuele stijl is honderd procent het
tegenovergestelde van wat Disney doorgaans serveert. Lelijke
creaturen die niets knuffelbaars hebben en donkere, zwaar
gestileerde sets vol scheve lijnen en bizarre rondes. Vergeet de
herkenbaarheid of de comfortabele romantiek van Disney, dit is een
wereld waarin je nooit weet wat er om de hoek op je wacht. Het
enige waar je redelijk zeker van kunt zijn, is dat het iets
creatiefs en origineels zal zijn. Hell, ze overtreden
zelfs de eerste regel van Disney-animatie: geef je hoofdpersonage
altijd grote ogen. Ogen zijn erg expressief en ze kunnen perfect
gebruikt worden om ogenblikkelijk een connectie te maken met het
publiek. Jack Skellington heeft alleen twee zwarte gaten in z’n
schedel zitten.

En toch werkt het, omdat Burton (en Henry Selick) hun wereld
afgeladen vol steken met geestige details (inclusief een
Frankensteinachtige professor die doodleuk z’n schedel openklapt om
aan z’n hersens te krabben) en personages die er dan wel bizar
uitzien, maar absoluut niet kwaadaardig zijn. De enige in
Halloweentown die echt iets kwaads in de zin heeft, is Oogie
Boogie. Voor de rest zijn de personages eerder naïevelingen die het
allemaal goed bedoelen.

Inhoudelijk is ‘The Nightmare Before Christmas’, net als zoveel
films van Tim Burton, alweer een variant op het
‘Frankenstein’-syndroom. Het monster in de originele ‘Frankenstein’
van James Whale was een tragische figuur die er niet om gevraagd
had om gemaakt te worden, maar nu wel bestond in zijn gruwelijke
vorm en op de één of andere manier aanvaarding zocht. ‘Edward Scissorhands’,
waarschijnlijk dé sleutelfilm uit Burtons carrière, ging over krek
hetzelfde. Net zoals ‘Ed Wood’. In
‘Nightmare’ gaat het verhaal ook weer die richting uit, hoewel de
toon luchtiger gehouden wordt. Jack Skellington wordt door heel
zijn omgeving beschouwd als een bepaalde figuur en hij is dat beu.
Hij zoekt aansluiting bij anderen – bij Christmastown, bij de
mensen die zijn exacte tegenovergestelde zijn – en dat zorgt
uiteraard voor problemen.

De liedjes vormen nog een aspect waarin ‘The Nightmare Before
Christmas’ zich duidelijk onderscheidt van z’n meer knuffelbare
Disney-broertjes. Buiten showstopper “What’s This” heeft Burtons
huiscomponist Danny Elfman nauwelijks deuntjes in de film gestopt
die je na één keer al kunt meeneurieën, terwijl ze bij Disney niks
anders doen.De nummers zijn volwaardige liedjes, die beter worden
naargelang je ze vaker hoort. Elfman doet zelf de zangstem van Jack
Skellington (Chris Sarandon spreekt de gewone dialogen in), wat
betekent dat hij eigenlijk 90 procent van de rol voor zijn rekening
neemt – de film is een aaneenschakeling van muzikale nummers, met
tussendoor een stukje dialoog om de plot vooruit te helpen. De
teksten getuigen daarenboven van een vindingrijkheid met de Engelse
taal waar de Disneyfilms al sinds ‘Jungle Book’ niet meer van
hebben kunnen dromen. Wat dacht u van deze: “Since I am dead, I
can take off my head to recite Shakespearian quotation. No animal
or man can scream like I can with the fury of my recitations.”

Da’s nog wat anders dan Phil Collins die platitudes zingt als
“You’ll be in my heart”.

Het is belangrijk om te begrijpen in welke tijd ‘The Nightmare
Before Christmas’ uitkwam. In 1993 had Disney plots een enorme
boost gekregen met het succes van ‘Beauty and the Beast’,
‘Aladdin’ en (in ’94) ‘The Lion King’. De opmars van Japanse anime
was lang nog niet zo uitgesproken als nu en de concurrerende
Amerikaanse studio’s brachten maar sporadisch eens een animatiefilm
uit (in tegenstelling tot tegenwoordig, nu Dreamworks en Fox
jaarlijk drie of vier CGI-films de zalen insmijten). Enfin, de
dominantie van Disney was onbetwistbaar. Als tegenprogrammering kon
‘The Nightmare Before Christmas’ dan ook tellen. Dit had niks te
maken met de beschermende vriendelijkheid van een typisch product
uit het Huis van de Muis (hoewel de film, ironisch genoeg, werd
verdeeld via Disney-vleugel Buena Vista).

Zo’n tien jaar later zou Burton dezelfde procedure opnieuw
gebruiken voor ‘Corpse Bride’ – welke
film je het liefste ziet, schijnt grotendeels af te hangen van
welke je het eerste onder ogen krijgt. Voor mijn part steekt ‘The
Nightmare Before Christmas’ er met kop en schouders bovenuit.
Ongebreidelde creativiteit, handig verpakt in een plasticine
uitvoering.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in