John Rambo




‘When you’re pushed, killing is as easy as
breathing.’
Na twintig jaar ontwaakt John Rambo uit zijn
comateuze winterslaap en staat hij scherper (nou ja), gemener (goh
ja) en onbewust hilarischer (oh ja) dan ooit. Het lijkt wel een
surrealistische nostalgiedroom, maar het feit dat ik mijn nog
steeds ontzettend intimiderende combat boots mocht
aantrekken voor een nieuwe Rambofilm, deed mijn van jeugdsentiment
doorwrongen hartje toch even sneller kloppen. Héél eventjes. Want
waar Stallone er op bijna miraculeuze wijze in slaagde om van
‘Rocky Balboa’
een aandoenlijk boksfilmpje voor artritissympathisanten te maken,
is ‘John Rambo’ nog nauwelijks een schuldig pleziertje te noemen.
Wel integendeel: wat een heerlijk over de top hommage had moeten
worden aan het foutste jaren tachtigicoon sinds Steve Urkel, draait
uit op een zichzelf veel te serieus nemend en futloos wraakfilmpje
met veel uiteenspattende hoofden, maar weinig sappige camp. Hang
die bandana maar snel terug aan de kapstok.

Een gepensioneerde John Rambo (Sylvester Stallone staat gespierd
maar onscherp met een akelig onnatuurlijke botoxkop) heeft zich na
zijn dolle avonturen in Amerika, Vietnam en Afghanistan
teruggetrokken in het het zonovergoten Thailand, alwaar hij rustig
de rivieren afkabbelt met zijn vissersbootje en sporadisch een
centje bijverdient met het vangen van slangen. Happy times
voor Johnny boy, totdat een nest übernaieve hulpverleners (Arisch
blondje Julie Benz op kop) beroep willen doen op zijn diensten om
de arme drommels in Birma (of is het nu Myanmar?) te helpen met een
paar dozen aspirines en vijf bijbels. John moet er aanvankelijk
niks van weten (‘go home’ mompelt hij, terwijl het gevaar
voor een beroerte nooit veraf is), maar wanneer het Arisch blondje
haar Oprahmonoloogje heeft afgestoken, tuft Rambo samen met de
missionarissen de rivier op om de grens over te steken naar Birma.
Nog geen vijf minuten in het hol van de leeuw, of de evil
Myanmarese militairen vallen het dorpje aan en nemen wat overblijft
van de westerse goeddoeners gevangen. Omdat Rambo uiteindelijk toch
een nicnacklein hartje heeft, waagt hij zich, samen met een bende
heerlijk stereotype huurlingen, voor de zoveelste keer in de
gruwelijke hellepoel van een oorlog. Vergeet diplomatie, vergeet
vredesmissies, Rambo is terug en hij zal het tuig in naam van
good old Reagan allemaal aan gort knallen. Bring on
the pain
en vergeet de wandelstok niet.

De enige manier om getraumatiseerde actieheld John Rambo in een
ook maar enigzins verdedigbaar licht te plaatsen, is de uit zijn
spierformaties barstende patser zo ver mogelijk van de realiteit te
verwijderen. Iets waar Italiaanse hormonenhengst en Mensa-lid
Stallone al volledig tegen zondigt tijdens de misplaatste
openingsscène waarin gruwelijke nieuwsbeelden elkaar
shocktherapiegewijs opvolgen om de huidige situatie in Birma in ons
westers en verloederd gezicht te smeren. Niet veel later wordt de
naar eenvoudige jaren tachtignostalgie hunkerende kijker
getrakteerd op een sadistisch spelletje waarbij het Birmese leger
gevangenen door een mijnenveld jaagt. Met een grote kaboom
en kasplatsch als gevolg. Zelfs voor iemand die indertijd
luidkeels meejoelde met Rambo’s avonturen in Vietnam en Afganistan
(wat waren die accenten van de boosaardige Russen zo gezellig
Boratiaans) is dit even slikken. Dit is niet meer de cartooneske
Rambo met het weelderige nektapijt en cheesy oneliners,
dit is een cynische en bittere versie die de grauwheid van de
allereerste ‘First Blood’ (eigenlijk een opvallend geslaagde
B-actiefilm die de trauma’s van Vietnam weinig subtiel
openscheurde) lijkt te koppelen aan koelbloedige actie die
expliciet, maar ook nietszeggend is. Het is er nog altijd over,
maar op een grimmige en moreel verwerpelijke manier die elk
potentiële zieke funfactor een zure nasmaak geeft. ‘John Rambo’ is
een B-film met een gladgestreken tronie dat niet weet hoe het zich
moet gedragen in een postmodern en met ironie gekleurd
B-filmlandschap. Stallone had het met de knipoog moeten doen, maar
lijkt het allemaal net iets te serieus te menen.

Hoe verklaar je anders de tergend trage opbouw van een banaal
ontvoerings- en reddingsverhaaltje. Rambo dropt, tegen zijn zin,
een aantal mensen in een levensgevaarlijk gebied en gaat ze, tegen
zijn zin, er terug uithalen. Doodeenvoudig, maar Stallone steekt
het, lomp en voorzichtig tegelijk, in elkaar alsof hij een episch
ontsnappingsverhaal à la ‘The Bridge on the River
Kwai’
wil combineren met een ‘the horror the
horror’
-thematiek van ‘Apocalypse Now’. Sly
toch. De kige dialogen (Rambo worstelt met een tenenkrullende
inner monologue!) en de kop van Stallone die over de jaren
heen onrustwekkend exponentieel in massa is toegenomen laten wel
het nodige gegrinnik toe, maar voor de rest is ‘John Rambo’,
ondanks de aanwezigheid van ultraviolence, een fletse
bedoening. Slechts drie coole momenten springen eruit. Eentje
waarin Rambo laat zien dat hij nog overweg kan met de pijl en boog,
eentje waar hij een bom uit de Tweede Wereldoorlog gebruikt als
efficiënte boobytrap en een memorabel strottenhoofdmoment.

Wanneer de actie dan toch losbarst is die, zoals met veel
bombarie aangekondigd, behoorlijk grafisch en expliciet. Hoofden
spatten open, ledematen worden aan flarden geschoten, een baby
wordt ongegeneerd in een vuurhaard geworpen, exotische deernes
worden verkracht en één ongelukkige eindigt zelf in een varkenskot
waar de drachtige zeugen zijn voeten oppeuzelen als ware het een
voorgerechtje van een viergangendiner. Getuigt het van ballen om zo
all the way te gaan met het geweld? Goh, misschien een
beetje, maar in een torture porn-tijdperk komt dat vooral gimmicky
en achterhaald over. Veel belangrijker is dat het nergens iets
toevoegt aan de spanning of intensiteit. Het is goedkope
exploitatie die zelfs nauwelijks zijn deel aan sensatiewaarde
heeft. Voor de fans van het eerste uur (te herkennen aan hun
pseudo-legerbroeken met witgrijs motief en fonkeling in de ogen bij
het horen van het grotendeels genegeerde Rambodeuntje) zal het
uiteraard allemaal dolle pret zijn, maar het valt niet te ontkennen
dat na een dozijn uiteenspattende hoofden of tot preparé américain
gereduceerde ledematen er toch een lichte vorm van repititiviteit
te bespeuren valt in de zogezegde oldskool actie van
Stallone. Tegen de gore maar erbarmelijk slecht in beeld gebrachte
climax zit je al lang naar je horloge te turen in de hoop dat het
frietkraam achter de hoek nog open is om de honger naar
bevredigende vettigheid te stillen.

Wat de beste foute Rambofilm had moeten worden, draait uit op de
slechtste foute Rambofilm die ze nooit hadden mogen maken. Do
we get to win this time?
Ik vrees van niet, John.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in