O Brother, Where Art Thou




102 min. /
USA / 2000

Kort na ‘Intolerable Cruelty’
wist George Clooney in de pers te vertellen dat hij en de
gebroeders Coen van plan waren om nog een derde film samen te
maken. “Zo kunnen we er een idiot’s trilogy van maken,”
zei hij, “drie films over onnozelaars die denken dat ze slimmer
zijn dan de andere mensen in de kamer.” Voorlopig is die derde film
er nog niet van gekomen, en ‘Intolerable Cruelty’ was
nu niet van dien aard dat ik wanhopig op meer van hetzelfde zit te
wachten, maar met die quote legde Clooney wel het principe uit
achter zowat alle Coen-films: vrijwel zonder uitzondering zijn het
verhalen over mensen die denken dat ze de situatie onder controle
hebben, die denken dat ze de slimste persoon in de kamer zijn, maar
die eigenlijk geen flauw idee hebben wat er gaande is. De enige die
in een Coen-film echt de kaarten in handen heeft, is de kijker. ‘O
Brother, Where Art Thou’, het eerste deel van die vooropgestelde
idiot’s trilogy, was één van de meest commercieel
succesvolle films die de broers ooit gemaakt hebben (allicht door
de aantrekkingskracht van Clooney), en het is inderdaad een mooie
illustratie van waar de acteur het over had: hij speelt een snel
pratende con artist die met mooie woorden strooit alsof
het niks is en zichtbaar onder de indruk is van zijn eigen
intelligentie, maar die zich uiteindelijk altijd door puur geluk
uit zijn problemen moet redden.

Het verhaal speelt zich af circa 1934, in Mississippi. Everett
(George Clooney), Pete (John Turturro) en Delmar (Tim Blake Nelson)
zijn drie gevangenen die ontsnappen uit een chain gang.
Ergens nabij het huis van Everett ligt de buit verborgen van een
gewapende overval, maar ze hebben nog maar vier dagen de tijd om
die te recupereren. Daarna wordt dat hele gebied immers onder water
gezet om een kunstmatig meer te maken voor hydroelektriciteit. De
drie vrienden beginnen aan een lange, bizarre reis, die van heel
ver af iets weg heeft van de ‘Odyssee’ van Homeros (net genoeg
opdat de Coens, die vrolijk toegeven het boek nooit gelezen te
hebben, de naam op hun aftiteling zouden kunnen zetten). Er komt
een orakel aan te pas, enkele verleidelijke maar verraderlijke
waternymfen en zelfs een kolerieke bijbelverkoper met maar één oog,
wat wellicht de dichtste benadering van een cycloop is die je in
het zuiden van de VS kunt tegenkomen.

Naar goede gewoonte in de films van de Coens, speelt ook deze
zich weer niet af in de werkelijkheid – zoals steeds, hebben de
regisseurs hier een lappendeken aan invloeden gefabriceerd (zowel
uit de filmwereld als daarbuiten), die ze dan combineren om een
heel eigen wereldje tot leven te roepen. ‘Miller’s Crossing’ was
geen film over échte gangsters, maar over filmgangsters. ‘The Hudsucker Proxy’ was
een benadering van de screwball comedy, aangevuld met
gothic invloeden uit de Duitse expressionistische cinema.
En in ‘Fargo’
gaven de broertjes niet alleen een originele draai aan een
leeggebloed genre als de policier, maar combineerden ze dat ook met
een milde satire op de haast irritante, obsessieve vriendelijkheid
van mensen uit Minnesota. Hier, in ‘O Brother, Where Art Thou’,
gaan de Coens verder op dat élan: ze pikken er filmgenres en
elementen uit de echte wereld uit, en die voegen ze dan samen en
overdrijven ze om er hun eigen filmwereld mee te fabriceren.

De Odyssee van Homerus is een startpunt, dat de structuur van
het verhaal levert. In zekere zin kun je van elk reisverhaal zeggen
dat het gelijkenissen vertoont met de Odyssee, maar de Coens
bewijzen lippendienst aan dat heldendicht door een paar van de
gekendste passages aan te halen (de meerminnen, de cycloops, en
natuurlijk het feit dat Clooney’s voornaam in de film Ulysses is,
terwijl zijn vrouw Penny heet, allicht afgeleid van Penelope). Veel
hebben die referenties al bij al niet te betekenen, maar de Coens
hebben altijd al een boontje gehad voor zelfbewuste, duidelijk
ironische zwaarwichtigheid. Denk maar aan de tekst aan het begin
van ‘Fargo’ die
ons wijsmaakte dat het een waar gebeurd verhaal betrof. Waar was
dat voor nodig? Nergens voor, maar het leende wel een air van
gravitas aan de film. De naam Homeros bij ‘O Brother,
Where Art Thou’ doet min of meer hetzelfde.

Maar de ‘Odyssee’ is maar één invloed. Vanzelfsprekend verwijzen
de Coens hier ook weer naar de cinema van vroeger – met name de
komedies uit de jaren dertig. George Clooney geeft hier een
kostelijke imitatie van Clark Gable weg (zijn one-liner “damn,
we’re in a tight spot!”
zal nog dagen door je hoofd spoken),
en ook de andere personages horen thuis in de fast-talking
sfeer van de dagen van Frank Capra, Howard Hawks en Preston
Sturges. Zo van die films waarin, net zoals hier, de mannen hun
broek optrokken tot ze bijna aan hun schouders kwamen, u kent ze
wel. De titel komt overigens uit ‘Sullivan’s Travels’, een prent
van Sturges – daarin wilde een regisseur van Hollywoodiaanse
niemendalletjes eindelijk een groot meesterwerk maken, onder de
titel ‘O Brother, Where Art Thou’.

En buiten de ‘Odyssee’ en de cinema van weleer, gaan de Coens
hier naar hartelust plunderen uit de geschiedenis van de zuidelijke
VS, waarbij ze zich van de historische feiten maar weinig
aantrekken. Berucht gangster “Babyface” Nelson wordt hier opgevoerd
als een manische gek, die uiteindelijk wordt afgevoerd om de
elektrische stoel te krijgen – in werkelijkheid stierf hij tijdens
een shout-out met de politie van Chicago. En de drie
ontsnapte gevangenen maken ook kennis met een zwarte muzikant,
Tommy Johnson (Chris Thomas King), die beweert zijn ziel te hebben
verkocht aan de duivel. Dat is dan weer gebaseerd op Robert
Johnson, een bluesmuzikant over wie nagenoeg niks bekend is buiten
de paar platen die hij maakte. Op zijn 27ste stierf
Johnson, en er ontstond een verbeeldingsrijke mythologie over hem,
waaronder het verhaal dat hij zijn ziel zou hebben verkocht aan
Satan, in ruil voor muzikaal talent. En zo gaat dat door – ‘O
Brother, Where Art Thou’ is een erg rijke film, in de zin dat
nagenoeg alles wel ergens naar refereert.

Het was wellicht onvermijdelijk dat de film nogal episodisch zou
uitvallen (je kunt hetzelfde trouwens zeggen voor de ‘Odyssee’
zelf). Het optreden van Clooney en co als de Soggy Bottom Boys, een
geïmproviseerd bandje, is hilarisch, en hun ontmoeting met de Ku
Klux Klan behoort tot het beste dat de Coens ooit op film hebben
gezet (“The color guard is colored!”) Maar op de één of
andere manier weet de prent als geheel minder te overtuigen.
Sommige afzonderlijke scènes zijn effenaf briljant, maar het totaal
is minder dan de som van de onderdelen. Wat eraan ontbreekt, denk
ik, is een sterke narratieve drive, die urgentie geeft aan
de gebeurtenissen. De indruk waarmee ik achterbleef, was dat de
Coens zo verliefd waren geworden op al hun individuele scènes, dat
ze zich niet genoeg zorgen hebben gemaakt over hoe die scènes ooit
in het geheel zouden passen.

Er is ongelooflijk veel aan ‘O Brother, Where Art Thou’ om te
bewonderen – niet in het minst het heerlijk creatieve taalgebruik
van de Coens: al de personages spreken in ingewikkelde zinnen die
vaak nergens op slaan, maar die behoorlijk fancy klinken.
Ze spreken boven hun stand, en het resultaat is geweldig grappig.
Alle elementen zijn er om een meesterwerk te maken. Maar toch
klikken ze niet helemaal in elkaar, toch mankeert er iets aan. Hoe
dan ook, als elke film met mankementen nog zoveel deugden zou
hebben als deze, zou de filmwereld er een stuk beter uitzien.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in