Miller’s Crossing




Mannen met hoeden en in grijze regenjassen roken de éne sigaret
na de andere en drinken whisky uit glazen die rinkelen van het ijs.
Ze begroeten elkaar met uitdrukkingen als “What’s the
rumpus?”,
en wanneer er iemand hen in elkaar komt rammen
wegens een onbetaalde schuld, nemen ze dat sportief op – “No
hard feelings”.
Verdomd als we niet in gangsterland verzeild
zijn geraakt. Joel en Ethan Coen, genrehoppers bij uitstek, maakten
van hun derde film, ‘Miller’s Crossing’, een liefdevolle ode aan de
klassieke Amerikaanse gangsterprent, waarin alle traditionele
elementen niet alleen op hun plaats zitten, maar ook nog eens extra
worden opgeblonken en op een voetstuk gezet. De hoeden, de
regenjassen, de sigaretten, de whisky – om nog maar te zwijgen van
de pistolen, de auto’s, de snedige dialogen en de femme
fatales.
Het resultaat lijkt dan ook een soort staalboek van
alles wat het genre te bieden heeft: de Coens maakten hier een
gangsterfilm à la carte, waarbij ze dankbaar gebruik
maakten van alle clichés en conventies die hen bevielen, terwijl ze
de rest links lieten liggen.

We bevinden ons in een naamloze stad, ergens in de jaren dertig.
Tom Reagan (Gabriel Byrne) is de adviseur van Leo O’Bannon (Albert
Finney), de plaatselijke maffiabaas, die de hele stad in zijn zak
heeft zitten. De dynamiek tussen de twee mannen wordt al snel
duidelijk: Tom is de stille denker, onder wiens hoed er constant
radartjes in elkaar aan het klikken zijn, en die vervolgens
stilletjes in Leo’s oor fluistert wat hij moet doen. Leo is de
grote mond van de twee, niet bijster snugger, maar met behoorlijk
wat chutzpah. De autoriteit van Leo’s bende komt echter
in het gedrang wanneer bookmaker Bernie Bernbaum (John Turturro)
een paar machtige klanten besluit te bedriegen. Johnny Caspar (Jon
Polito), een Italiaanse mafioso die maar net onder Leo komt in de
voedselketen, weet dat Bernie van hem heeft gestolen en vraagt
toestemming om hem van kant te maken. Maar Leo heeft een affaire
met Bernie’s zus Verna (Marcia Gay Harden) en zegt nee. Op die
manier begint er een oorlog tussen Leo en Johnny Caspar, die Tom
zal dwingen om een kant te kiezen.

Van daaruit vertakt die plot zich steeds verder, op een manier
die Coen-fans ongetwijfeld bekend zal voorkomen. Niet voor de
eerste keer vertrekken ze vanuit een eenvoudige premisse (twee
gangsters beginnen een oorlog met elkaar omdat één van hen zijn
schoonbroer niet wilt afknallen), die ze vervolgens haast tot in
het absurde gaan compliceren. Want natuurlijk heeft Tom óók een
geheime liaison met Verna. En Bernie blijkt homoseksueel te zijn en
het aan te leggen met de rechterhand van Johnny Caspar, Eddie Dane
(menselijke bulldozer J.E. Freeman, die gelijk bewijst dat venten
die het graag met andere venten doen daarom nog geen mietjes hoeven
te zijn). De Coens slepen er gaandeweg van alles bij, tot aan het
einde Tom aan Bernie vraagt waarom een bepaald personage vermoord
werd. “Weet ik niet,” zegt Bernie. “Some kind of mix-up.”
Het is ver gekomen als zelfs de personages al niet meer weten
waarom dingen gebeuren.

De plot van ‘Miller’s Crossing’ is een lange illustratie van het
sneeuwbaleffect, met vetes en intriges die steeds complexer worden,
tot je als kijker nauwelijks nog weet waar het allemaal begonnen
is. Geen wonder dan, dat heel wat mensen verward reageerden op het
verhaal toen de film oorspronkelijk uitkwam. Het zag er allemaal
prachtig uit en het klonk ook allemaal heel goed, maar garanti zat
er wel ergens een moment tussen waarop je in pure Homer
Simpson-stijl wilde reageren met “who’s doing the what where
now?”.
Pas na een tweede of derde kijkbeurt werd dan duidelijk
dat alles wel degelijk netjes in elkaar paste. Je kunt dat
verwarrend effect aanrekenen als een zwakte van de film, maar het
hoort op een bepaalde manier ook wel bij de stijl ervan: ooit al
eens geprobeerd om uit te leggen hoe ‘The Big Sleep’ in elkaar
zat?

En het is van die oude gangsterfilms uit de jaren dertig en
veertig, vaak met figuren als Humphrey Bogart en James Cagney in de
hoofdrollen, dat ‘Miller’s Crossing’ zijn mosterd haalt. Een
ingewikkeld verhaal vol double crosses, eenzame gangsters
die existentieel voor zich uit turen en natuurlijk die dialogen. Er
wordt geen woord gesproken in ‘Miller’s Crossing’ of het gebeurt in
dat creatief, haast poëtisch gangster patois waarvan we
dachten dat het verloren was gegaan met Dashiell Hammett. Wat dacht
u van deze: “I’m gonna send you to a deep, dark place, and I’m
gonna have fun doin’ it!”
Of nog eentje: Tom zegt tegen Verna
dat hulpeloze vrouwen intimideren zijn job is. Het antwoord van
Verna: “Then why don’t you go find one and intimidate
her?”
Als je niet spontaan het water in je mond krijgt bij het
horen van dat soort dialogen, ben je geen filmliefhebber.

De Coens imiteren dus duidelijk een narratieve en verbale stijl
van vroeger – alle situaties hier zijn gelijkaardig aan wat je
vroeger in de film noirs aantrof – maar hun grote kracht
is dat ze niet blijven steken in imitatie alleen. Elke hommage van
de Coens is immers ook een pastiche: ze bewonderen de gangsterfilms
van de jaren veertig, maar ze amuseren zich er ook mee. De kans dat
je zit te bulderen van het lachen tijdens ‘Miller’s Crossing’ lijkt
me vrij klein, maar op hun eigen onderkoelde, gortdroge manier
steken de Coens toch de draak met hun eigen genre. Let op een scène
waarin Leo thuis wordt overvallen door killers van Johnny Caspar:
Leo neemt zijn tommygun en schiet de hele buurt aan flarden zonder
zelfs maar met zijn ogen te knipperen. Dat zijn huis ondertussen
afbrandt, lijkt weinig meer dan een milde irritatie terwijl hij,
gekleed in zijn kamerjas en met een sigaar in z’n mond, een schier
eindeloze voorraad kogels door het machinegeweer jaagt. En dan heb
je nog de bekendste scène uit de hele film: Tom krijgt opdracht om
Bernie te vermoorden. Bernie panikeert en begint te smeken voor
zijn leven: “Look into your heart!” Die smeekbede wordt
onredelijk lang uitgerokken door de Coens, tot voorbij het punt
waarop het nog kan dienen om spanning op te bouwen. Vanaf dan gaat
het enkel nog om een zeer milde, subtiele spot.

Visueel betekende ‘Miller’s Crossing’ een keerpunt in de
carrière van de Coens, omdat ze zich voor de eerste keer opvallend
inhielden met hun kleuren en camerabewegingen. Waar in ‘Blood Simple’ en vooral
in ‘Raising
Arizona’
de kleuren van het scherm spatten en de camera haast
nooit stilstond, dringen de broertjes (en hun vaste cinematograaf
Barry Sonnenfeld) zich hier veel minder op. Hun shots zijn veel
statischer, en wanneer ze dan toch bewegen, zijn die bewegingen
doelgerichter, noodzakelijker voor het verloop van het verhaal.

‘Miller’s Crossing’ is een heel doelbewuste, doordachte film.
Misschien wel té doordacht. Als er al een ernstige kritiek op de
prent gegeven kan worden, dan is het dat hij soms erg artificieel
kan overkomen. Er is niets spontaans of ongedwongen aan – je merkt
heel goed dat er over elk detail is nagedacht, dat er mensen héél
hard hebben gewerkt aan elk shot dat je ziet, en het resultaat is
dat de film soms benauwend, claustrofobisch kan overkomen. Da’s een
ruil die je maakt – die ongedwongenheid geef je op voor een
(weliswaar soms hevig geforceerde) schoonheid. Maar reken maar dat
het de moeite is.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in