30 Days of Night




Zelden zo met de billen dichtgeknepen naar een film zitten
kijken als naar ‘Hard Candy’ verleden
jaar, het cinemadebuut van videoclipregisseur David Slade. Oké,
tijdens het laatste half uur ging die castratiethriller een eind
over de top, maar wàt een beheersing van het medium had die man,
zeker voor een eerste film. Nu keert Slade terug met ’30 Days of
Night’, een vampierenverhaal dat komaf probeert te maken met het
traditionele beeld van de bloedzuigers als tragische figuren, die
in een cape rondlopen en mijmeren over existentiële vragen. Niks
daarvan hier. Op het nieuws zag ik ooit zo’n absurde Amerikaanse
vreetwedstrijd, waarin mensen zonder hun handen te gebruiken zoveel
mogelijk taarten moesten binnenschrokken – wel, het is zó dat de
vampieren van ’30 Days of Night’ hun slachtoffers te lijf gaan.
Move over, Anne Rice. Het resultaat is een oneffen film,
die op z’n beste momenten behoorlijk wat sick fun weet te
leveren. Alleen jammer dat er tussen die momenten soms zoveel tijd
zit.

Het verhaal speelt zich af in Barrow, het noordelijkste stadje
van de VS, in de staat Alaska. Elk jaar trekt het merendeel van de
500 koppen tellende bevolking naar het zuiden, wanneer in de winter
de zon ondergaat om zich een maand lang niet meer te laten zien.
Zo’n 150 mensen blijven achter, waaronder plaatselijke sheriff Eben
Oleson (Josh Hartnett). Dertig dagen lang zitten degenen die
overblijven zonder daglicht, geïsoleerd in meer dan honderd
kilometer verlaten vlakte. Perfecte timing dus voor een groepje
vampiers om huis te houden in Barrow. Onder leiding van Danny
Huston (voor de gelegenheid voorzien van een brosse en
zwarte contactlenzen) vallen de Dracula’s-op-speed het dorp binnen.
Bloed spat in het rond en zelfs creatief aangewend tuinmateriaal
doet maar weinig om hen tegen te houden. Samen met enkele andere
overlevenden moet sheriff Oleson nu proberen om de dertig dagen
nacht uit te zitten.

Het verhaal van ’30 Days of Night’ heeft een beetje te leiden
onder het feit dat het anno 2007 niet meer zo makkelijk is om
mensen nog te isoleren. Aan het begin van de film zien we Josh
Hartnett voor een klein hoopje verbrande, nog nasmeulende
satelliettelefoons staan. “Strange,” horen we hem zeggen,
want wat moet een mens anders zeggen in zo’n geval? En David Slade
hoopt dan dat zijn publiek gelooft dat dit àlle telefoons uit het
hele stadje waren, preventief gejat en vernietigd zodat er achteraf
niemand om hulp zou kunnen bellen eens de vampieren aanvallen. Hoe
steel je àlle satellietelefoons uit een dorp, zeker één dat
letterlijk aan de rand van de beschaving ligt? En hoe komt het dat
geen enkel ander personage in de film zich daar vragen bij stelt?
Je zou toch denken dat zoiets groot nieuws zou zijn? Strange,
indeed.
Achteraf zien we het grootste deel van het stadje
vertrekken om de last flight out niet te missen van het
vliegveld, zo’n honderd kilometer verderop. Waarom de laatste
vlucht? Kunnen vliegtuigen daar niet opstijgen of landen in het
donker?

Maar daar ga ik weer, logische vragen stellen bij een film
waarin dat absoluut niet gewenst is. Communicatie met de
buitenwereld is tegenwoordig op zoveel verschillende manieren
mogelijk – gsm’s, internet, hell, zelfs een ouderwetse
CB-radio zou volstaan – dat het moeilijk is om te geloven dat je op
30 dagen tijd geen manier kunt vinden om hulp te roepen. ET kon
zelfs op minder tijd naar huis telefoneren, en dat was over een
afstand van ettelijke lichtjaren. Slade probeert een soort
night of the living dead-sfeer op te roepen, met
personages die compleet afgesneden zijn van alles en iedereen, maar
hij maakt aan het begin van z’n film de fout om ons niet helemaal
te doen geloven in dat isolement. Een groot deel van de spanning
van zo’n ‘Night of the Living Dead’ of ‘The Birds’ ligt in de
uitzichtloosheid van de situatie – de personages kunnen nergens
naartoe, alle keuzes zijn hen afgenomen. In ’30 Days of Night’ zit
je echter continu te denken: “maar wat als ze nu eens dit of dat
proberen om hulp te halen”? Zonder dat één van de personages, zelfs
met een maand tijd, op het idee komt die dingen te doen.

Slade begint dus vanuit een wankele premisse, maar als je jezelf
over dat fundamenteel verhaalprobleem heen kunt zetten, valt er
best nog wel wat fun te beleven. De actiescènes zijn goed
in beeld gezet – energiek, met veel beweging, maar altijd duidelijk
en overzichtelijk. De regisseur verwijdert vaak individuele frames
uit de film, om het beeld een extra schokkerige, abrupte kwaliteit
mee te geven (een techniek die ook al in ‘Saving Private Ryan’
zat), maar dat verhindert niet dat hij regelmatig wide shots inlast
die ons kunnen oriënteren in de actie. Op bepaalde momenten filmt
hij zelf panoramashots van pal boven de met bloed doordrenkte
straten van Barrow, om de chaos duidelijk te maken. Knap gedaan.
Bepaalde gore momenten zullen overigens hoog scoren op de
yeehaa-meter van elke genrefan: er worden hoofden afgekapt
met bijlen, industriële zagen krijgen opeens functies waar de
fabrikant nooit was opgekomen en de finale confrontatie tussen Josh
Hartnett en Danny Huston geeft een nieuwe dimensie aan het
werkwoord “fisting”.

De actie zit dus wel goed, en uiteindelijk is dat de reden dat u
gaat kijken. Alleen zonde dat de momenten tussen de actiescènes
door – en die zijn soms làng – wel eens de neiging hebben om dood
in het water te vallen. Naar aloude traditie in het genre zijn de
hoofdpersonages ongeveer even goed ontwikkeld als de boezem van
Justine Henin (jà, die grap is goedkoop, dat weet ik). Hartnett en
zijn eega (Melissa George) staan aan het begin van de film op het
punt van scheiden, maar denkt u dat dat aan het einde nog zo is?
Nou? De vampieren, op hun beurt, zijn letterlijk en figuurlijk
kleurloze figuren die in een uit keelklanken opgetrokken taal
spreken – nog een geluk dat de film die taal verstaat en ons
voorziet van ondertitels. Van persoonlijkheden is in hun geval niet
eens sprake – de bloedzuigers hebben geen onderlinge relaties of
interactie, behalve dan dat Danny Huston de baas is en de rest
achter hem aanloopt. Daar laat Slade een goeie kans liggen. Door
wat dynamiek in de vampierenbende te steken, had hij zijn verhaal
tussen de actiescènes door van extra zuurstof kunnen voorzien.
Zoals het is, zijn de vampieren gewoon een onderling volstrekt
inwisselbare bende monsters in zwarte jassen.

’30 Days of Night’ is al bij al best wel lollig zo lang hij
duurt (of om preciezer te zijn: zo lang de actie duurt). Maar het
verhaaltje lijkt, zelfs naar de standaards van het genre, té
haastig in elkaar gestoken te zijn – er komt zelfs niemand op het
idee om wat knoflook en crucifixen in te slaan, stel je voor. Waar
zitten George Clooney en Harvey Keitel als je ze nodig hebt?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in