Saw IV




Geen betere manier om het gezegende jaar 2007 van Onze Lieve
Heer af te sluiten dan met een sappig stukje ‘Saw’. De
gimmick die een jaarlijkse traditie werd is aan zijn
vierde schotel toe en hoewel ik er naar uitkeek als naar een
optreden van André Rieu, kreeg ik de dubieuze eer (damn
you
bezwarende foto’s van kerstfeestjes!) om bij te schuiven
aan de rijkelijk gevulde vleestafel bij comme chez
abbatoir
. Ik was nog maar net begonnen aan mijn tomate
crevette of er vloog al een brokje hersenvlees over de hoofden van
de veel te enthousiaste genodigden. Mijn garnaaltjes waren nog niet
half geteld of een uitgemergelde ribbenkast werd als een iets te
hard gebakken tacobroodje opengekraakt. Jigsaw is terug en ook al
is hij zo dood als een pier, zijn ondeugende martelspelletjes
blijven voor aanstekelijke gezelligheid en jolijt zorgen. Laat uw
cynisme aan de deur en kruip allemaal dicht bij het warme vuur van
de nog nasmeulende ingewanden. Hup André, speel nog eens iets
vrolijk.

Kankerkiller Jigsaw (Tobin Bell, de Robert Englund voor de
adhd-generatie) mag dan wel bezweken zijn aan de terminaal onnozele
plottentakels van ‘Saw III’, zijn
memorabele werk gaat lustig en onverstoord verder. Terwijl de
getormenteerde agent Rigg (Lyriq Bent), een collega van vermoorde
Jigsaw-slachtoffers, aan zijn eigen ‘test’ wordt onderworpen,
proberen een rechercheur (Costas Mandylor) en een FBI-agent de
ontbrekende schakel in Jigsaws meesterplan te achterhalen. Het zou
namelijk wel eens kunnen dat er nog een extra handlanger van de
wijlen psychopaat rondloopt. Als toemaatje krijgen we via
ostentatieve flashblacks het achtergrondverhaal van Jigsaw (hij had
ooit een lief, de Clooney!) en de reden waarom hij aan zijn
sadistische maar vooral vermoeiende hobby begon. Behoorlijk
spannend allemaal.

Eigenlijk bevat ‘Saw IV’ (zou de doelgroep wel kunnen tellen met
Romeinse cijfers?) zodanig weinig vermeldenswaardige gebeurtenissen
dat ik rechtstreeks kan doorverwijzen naar de recensie van het al
even smakelijke ‘Saw
III’
. Het is krék dezelfde pessimistische torture
porn
, met als enige verschil dat de plottwist nog
belachelijker en geforceerder overkomt. Visueel gezien blinkt de
franchise nog altijd uit met de irritantste stijl sinds Tony Scott
de achterste knopjes op zijn camera ontdekte en de acteurs staan er
nog altijd bij alsof ze uit een daytime soap opera zijn
ontsnapt (behalve Donnie Wahlberg, alle Wahlbergs zijn cool moet je
weten). Maar de uitsmijter blijft het gebrek aan plot en logica dat
nog altijd moeizaam wordt verdoezeld met een niet aflatende aanval
van flashbacks en overgecompliceerde zijwegen die weinig terzake
doen. De liefhebbers mogen zich dus verwachten aan een enerverend
maar herkenbaar stoofpotje drek.

Als ‘Saw’-survivor kan ik trouwens meedelen dat dit
vierde rondje de eerste in de reeks is die zo nadrukkelijk doelloos
rondslentert van de ene teleurstellende slachtscène naar de andere.
De eerste kreeg vanuit de fanbasis nog de (idiote) vergelijking met
‘Seven’ mee, de
tweede probeerde tevergeefs van Jigsaw een horroricoon te maken en
deel drie deed de verkoop van Dafalgans hallucinant stijgen met de
doorgedreven visuele en auditivieve diarree die we ondertussen maar
al te graag met de franchise associëren. Finchers meesterwerk wordt
door niemand nog gebruikt als raakpunt, het icoon ligt morsdood te
wezen op een autopsietafel en de door de mottige
appelblauwzeegroene filter gehaalde beelden beginnen eerder
apathische dan geïrriteerde gevoelens op te wekken. Het is op,
leeg, uitgespeeld en er staan nog minstens twee vervolgen te
wachten in de gang. Verontrustend en bedroevend tegelijk.

‘Maar hoe zit het met de vettige goor?’, hoor ik de puberjongens
al roepen. Wel, die valt eigenlijk zo’n beetje dik tegen. De
openingsscène duwt de kijker onmiddelijk met de neus op de
ziekelijke feiten met een grafische autopsiescène waar zelfs expert
David Caruso even van zou zwijmelen, maar daarna zijn de groteske
vetzakkerijen (een verkrachter mag kiezen, zijn ogen of zijn
ledematen kwijt, hoera) behoorlijk flets, pover in beeld gebracht
en snel afgehaspeld. Alsof de makers zélf de buik vol beginnen te
krijgen van hun overtreffende oefening in wansmaak. Een duel tussen
een kerel met dichtgenaaide ogen en een andere kerel met een
dichtgenaaide mond laat nog iet of wat van creatieve speelsheid toe
(zie, een compliment!), maar voor de rest hebben we deze
horrortaferelen allemaal eerder en even zwak gezien. Enkel worden
de affreuze geluidseffecten nog luider ingezet om het publiek te
laten opspringen. De camera moet maar even opzij zwaaien of er
wordt geswooooosht alsof er elk moment een in slow motion
tollende helikopter in de groezelige kelder kan neerdalen. En nu we
het toch over slowmo-helikopters hebben, goeie vriend
Michael Bay lijkt wel Ingmar Bergman naast de spastische trucs van
Darren Lynn Bousman. Versnellen dat beeld, vertragen, nog vagere
beeldcomposities, nog een desoriënterende montagecut! Best een
Dafalgan of twee meenemen is de boodschap.

Is ‘Saw IV’ een weinig subtiele metafoor voor de gruwel van onze
samenleving of is het gewoon een ziek spelletje bloed en spleen,
gespeend van elk gevoel voor humor, camp en
zelfrealtivering? Nergens krijg je ook maar een aanwijzing of hint
dat deze dingen gemaakt zijn om te amuseren (op de eerste na,
misschien). Meer zelfs, ze zijn louter afhankelijk van een
shock gimmick die al lang niet meer weet te shockeren. Er
zal ongetwijfeld wel een ontzettend interessante thesisanalyse
verborgen zitten in deze post 9/11-martelmarathon, maar dan moet je
wél al die troep eerst bekijken. Niet iets om aan te raden. ‘Saw’
is de ‘F.C. De Kampioenen’ van de crappy horror, het is de
hardnekkige eeltknobbel die elk jaar terugkeert, het is de Carl
Huybrechts die er steevast in blijft geloven dat hij iets van
voetbal weet. Kortom, het is onkruid dat heel moeilijk uit te
roeien is. Tot volgend jaar dan maar zeker?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee × een =